Spring naar inhoud

Financiën

Inleiding

In dit hoofdstuk verantwoorden wij ons over de belangrijkste financiële ontwikkelingen van het afgelopen jaar.We reflecteren op onze besluiten en de impact daarvan op de universiteit, studenten, medewerkers en de maatschappij. Ook kijken we vooruit naar de verwachte ontwikkelingen voor de aankomende vijf jaren.

De Erasmus Universiteit (EUR)bevindt zich midden in een “perfect storm”. De politieke turbulentie door het opzeggen van afspraken door het ministerie van OCW (opzeggen bestuursakkoord en stopzetten starters- en stimuleringsbeurzen), het aankondigen van nieuwe bezuinigingen en ingrijpende wetsvoorstellen (zoals de WIB) en het weer mogelijk terugdraaien daarvan, inclusief het afzien van de toets anderstalig onderwijs voor bestaande opleidingen. Deze turbulentie gecombineerd met soms significante prijsstijgingen (licenties, bouwkosten) en complexiteit in de geopolitieke situatie die ook onze universiteit raakt, maken 2025 wederom een turbulent jaar. Het is onze verwachting dat deze turbulentie ook in de komende jaren blijft. We houden vast aan onze koers ‘toonaangevend in de wereld en toegewijd aan de regio’ en continueren met onze strategische doelstellingen.

We hebben al belangrijke stappen gezet die ons in staat stellen om noodzakelijke maatregelen effectief uit te voeren. Zo werken we binnen de universiteit als ‘One Connected EUR’ aan een veilige, inclusieve en inspirerende werkomgeving. Samenwerking en verbinding helpen ons bij ons streven naar meer diversificatie in inkomensstromen. Dit is noodzakelijk voor het uitvoeren van onze kernactiviteiten nu we niet meer om de onzekerheden over de eerste geldstroom heen kunnen. Onze BV's (de private entiteiten van de EUR) dragen hieraan positief bij, ook in financiële zin. Dit is zichtbaar in een stijging van de baten van opdrachten van derden en van het aandeel van onze verbonden partijen in het resultaat. Ook bij de geneeskundige faculteit wordt meer begroot op inkomsten vanuit de tweede en derde geldstroom.Met de instabiliteit van niet alleen de wereldpolitiek, maar ook de besluiten van onze eigen overheid, is het snel vergroten van onze wendbaarheid vereist.We moeten sneller kunnen inspelen op onverwachte ontwikkelingen, op welk domein dan ook.

Dit hoofdstuk biedt een vergelijking van de geconsolideerde financiële positie van de EUR  met zowel de begroting van 2025 als van het voorgaande jaar. Vervolgens worden de gevolgen van deze financiële positie op de ratio’s in kaart gebracht. Daarna komen de continuïteitsparagraaf en de notitie helderheid aan bod. Tot slot volgt een toelichting op de inzet van de bestuursakkoordmiddelen.

Conform de verslaggevingsregels worden naast de baten en lasten van de EUR ook de baten en lasten van de verbonden partijen en de O&O-activiteiten van het Erasmus MC geconsolideerd. 

  • Geconsolideerde exploitatie betreft baten en lasten van de EUR, verbonden partijen en de O&O activiteiten van het Erasmus MC;
  • Geconsolideerd resultaat financiële positie betreft EUR, verbonden partijen en de O&O activiteiten van het Erasmus MC; 
  • Geconsolideerd nettoresultaat financiële positie betreft EUR en verbonden partijen exclusief de O&O activiteiten van het Erasmus MC

Financiële positie

Analyse resultaat 2025 (geconsolideerd)

tabel 2

Staat van baten en lasten - geconsolideerd (M€) Realisatie 2025 Begroting 2025 Realisatie 2024 Afwijking tov begroting Afwijking t.o.v. 2024
BATEN          
Rijksbijdragen 490,5 470,4 455,5 20,0 34,9
College-, cursus-, les- en examengelden 95,2 96,0 87,5 -0,8 7,7
Baten werk in opdracht van derden 251,8 243,9 244,7 7,9 7,2
Overige baten 123,7 130,9 118,1 -7,3 5,5
Totaal baten 961,2 941,3 905,8 19,8 55,3
           
LASTEN   0,0      
Personeelslasten 654,6 670,7 652,0 -16,1 2,6
Afschrijvingen 43,0 39,9 42,2 3,1 0,8
Huisvestingslasten 48,7 45,2 43,8 3,6 5,0
Overige lasten 181,7 192,4 195,7 -10,8 -14,0
Totaal lasten 928,0 948,3 933,7 -20,3 -5,6
           
Saldo baten en lasten 33,2 -7,0 -27,9 40,1 61,0
           
Financiële baten (rente/resultaat deelnemingen) 8,5 6,1 10,8 2,4 -2,3
Financiële lasten (rente/belastingen) 0,0 -0,4 0,1 0,4 0,0
Saldo financiele baten en lasten 8,5 5,6 10,8 2,9 -2,3
           
Resultaat uit gewone bedrijfsvoering 41,7 -1,4 -17,1 43,0 58,7
           
Resultaat aandeel van derden 8,7 3,0 -13,5 5,7 22,2
           
Nettoresultaat 33,0 -4,4 -3,6 37,3 36,5

Analyse 2025 (geconsolideerd)

In de analyse van het resultaat geven we een reflectie op de incidentele baten en lasten die het resultaat beïnvloeden. Daarna volgt een analyse van de afwijkingen op de begroting, gevolgd door de afwijkingen ten opzichte van 2024.

Het nettoresultaat wordt sterk beïnvloed door de incidentele baten en lasten.

Incidentele baten en lasten die het resultaat van 2025 inclusief FGG/Erasmus MC beïnvloeden

tabel 3

Bedragen x € 1 miljoen 2025 2024 Afwijking 2025 t.o.v. 2024
Resultaat volgens jaarrekening 41,7 -17,1 58,8
       
Incidentele resultaatseffecten      
1.      W&T -23,2    
2.      Vormen employabilityfund 3,2    
3.      VB26 3,7    
4.      Vrijval reorganisatievoorziening -2,2    
Totaal eenmalige resultaatseffecten -18,5 16,4 -34,9
       
Resultaat na eenmalige resultaatseffecten 23,2 -0,7 23,9

De overheid maakte de bestedingsdoelen van de Werkdruk & Talentmiddelen pas laat in het jaar bekend. Hierdoor konden bestedingsplannen niet tijdig worden opgesteld en uitgevoerd. Omdat deze middelen in de exploitatie verantwoord moeten worden, heeft dit een groot effect op het resultaat. Daarnaast werd in 2024 een reorganisatievoorziening opgenomen ter dekking van kosten in 2025. De kosten bleken echter lager dan verwacht. Het resterende bedrag komt daarom ten gunste van de exploitatie. Er zijn ook twee factoren in het resultaat met een tegengestelde werking. Zo is in de cao 2025 afgesproken om een Employability Fund op te richten. Hierin werd eenmalige storting gedaan; de middelen worden aankomende jaren ingezet in het kader van vergroten van duurzame inzetbaarheid en wendbaarheid van werknemers. Daarnaast liep het project Vervanging Bedrijfsvoeringssysteem 26 (VB26) vertraging op. De inefficiënties (personele en materiële kosten) zijn ten laste van de exploitatie gebracht.

Vergelijking realisatie met de begroting 2025

Als we de realisatie vergelijken met onze begroting lijkt de afwijking groot. Dat is echter niet zo. Een belangrijk deel van het verschil wordt verklaard door eerdergenoemde incidentele factoren. Dat betreft onder meer de W&T-middelen waarvan we nu de opbrengst moeten verantwoorden in de exploitatie, terwijl in volgende jaren de lasten komen. Deze middelen ontvingen we van OCW. Daarmee werd de lage vaste voet van de drie jonge universiteiten (deels) hersteld. Dat de middelen met deze omvang zo laat werden toegekend onderstreept de beperkte voorspelbaarheid van rijksbeleid en de impact daarvan op onze begroting en financiële prognose. De middelen van de W&T geven daarom dit jaar een positief resultaat, Dat resultaat is toegevoegd aan de bestemmingsreserve. 

De faculteiten en diensten hebben dit jaar samen hard gewerkt aan verbeteringen om tot een hoger resultaat te komen. Veel onderdelen komen als gevolg daarvan positiever uit dan begroot. Zo troffen verschillende faculteiten in 2025 maatregelen om de financiële situatie duurzaam te verbeteren. Twee faculteiten voerden bijvoorbeeld majeure verbeteracties door. Andere faculteiten zetten in op het vergroten van de tweede en derde geldstroom. Ook bij een aantal diensten zorgden hogere baten uit die geldstromen voor een hoger resultaat. Hogere afschrijvingen op vaste activa, versnelde afschrijvingen en naar voren gehaalde CIO-projecten (waaronder Tinbergen) dempen dit resultaat enigszins. 

Vanwege de onzekerheid over de bijdragen van het Rijk is gestuurd op het terugdringen van het aantal FTE. Veel onderdelen waren terughoudend met het invullen van vacatures. Hierdoor was het aantal FTE een stuk lager dan begroot. Over vervanging en uitbreiding van personeel wordt vaak te optimistisch gedacht; in de praktijk is vaak meer tijd nodig voor het invullen van vacatures. De EUR slaagde er in om de inzet van externe inhuur te beperken, leidend tot lagere personeelskosten op dit gebied. Het aandeel externe inhuur ligt nu onder de 4% (2024: 4,7% en 2023: 6%). Met name voorgaande factoren verklaren het positieve verschil met de begroting, ondanks de hogere loonsverhoging en de gevormde voorziening voor het Employability fund als gevolg van de cao 2025.

Wel constateren we dat onze executiekracht tekortschiet. Besluitvorming over toewijzing van middelen en vervolgens het opstellen en het uitvoeren van bestedingsplannen duren vaak onnodig lang. Dit draagt ook bij aan het hogere resultaat. Overigens zat er ook net als voorgaande jaren nog wat voorzichtigheid in de begrotingen, gerelateerd aan de onzekerheid over rijksbekostiging, maar ook de tweede en derde geldstroom zijn lastig in te schatten.

Er is nog een aantal ontwikkelingen die de realisatie beïnvloed hebben waardoor er verschillen met de begroting ontstaan, maar in veel mindere mate. De studentenpopulatie ontwikkelt zich zoals verwacht, alleen daalde het aantal Nederlandse studenten in collegejaar 2025-2026 sterker dan verwacht. Het aantal internationale studenten groeit nog wel.  Omdat studenten die niet vallen onder de EER-regeling een hoger tarief betalen, is de daling in collegegeldbaten beperkt gebleven. Dit zal in de toekomst ook gaan afnemen. Daarnaast zijn in onze administratie Onderhanden Werk projecten opgeschoond en is op een aantal activa versneld afgeschreven. In combinatie met het uitstellen van verlengde gebruiks- c.q. afschrijvingstermijnen van panden, leidde dit tot hogere afschrijvingslasten. Omdat we veel storingen op sanitair en leidingwerk ondervonden, waren er hogere huisvestingskosten. Tot slot ontvingen we vanuit het Rijk een hoger bedrag ter compensatie van indexatie; hier tegenover stonden hogere personeelslasten als gevolg van hogere cao per juli en daarom heeft dit in het uiteindelijk resultaat geen effect. 

De resultaten van verbonden partijen ten slotte zijn per saldo redelijk in lijn met de begroting maar zowel bij die partijen zijn er grotere verschillen tussen begroting en realisatie. De Holding en Erasmus Sport vallen positiever uit dan begroot, terwijl RSM juist een negatief resultaat laat zien waar positief begroot werd.  

Vergelijking realisatie 2025 met de realisatie 2024

De eerder genoemde W&T-middelen en hogere compensatie voor de loonindexatiezorgen voor een hogere Rijksbijdrage. Dit wordt enigszins gemitigeerd doordat de initiële Rijksbijdrage vanwege de lagere Referentieraming iets lager was dan voorgaand jaar. Ook de collegegeldbaten stegen, zowel het deel vanuit de wettelijke collegegelden als de instellingscollegegelden. De stijging van het collegegeldtarief (wettelijk deel) voor het jaar 2024/2025 van 9,3% had veel impact. De baten uit instellingscollegegelden groeiden als gevolg van een groei in het aantal studenten van buiten de Europese Economische Ruimte, maar ook door de stijging van het tarief voor deze studenten. Meer ontvangsten in de tweede en derde geldstroom voor onderzoeksprojecten (€ 10 miljoen) verklaren de hogere baten van werk in opdracht van derden. De baten uit contractonderwijs lopen juist iets terug (€ 3 miljoen minder). Tot slot is de Rijksbijdrage voor de werkplaatsfunctie voor Faculteit der Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen (FGG) Erasmus Medisch Centrum (EMC) € 5,2 miljoen hoger en waren de baten vanuit geleverde diensten binnen FGG EMC en de baten voor detachering vanuit de faculteiten, Erasmus Enterprise en EUR ruim € 3 miljoen hoger. Die samen zorgen grotendeels voor de hogere ‘Overige baten’.

Aan de lastenkant zorgen twee incidente lasten uit 2024 (voorziening en aanschaf MRI-apparatuur, te zien in overige lasten) voor een scheef beeld. Hiermee rekening houdend is het verschil met 2024 lager, namelijk € 4,5 miljoen. Over het algemeen kan gesteld worden dat deze lagere kosten vooral het gevolg zijn van bewuste besparingen, geheel in lijn met onze bezuinigingstaak. De verhoging van de salarissen conform de cao voor universiteiten per 1 juli 2025 (inclusief de toevoeging van € 3,2 aan het Employability Fund), de jaarlijkse tredeverhoging voor de medewerkers, toenames in de voorzieningen ‘werkloosheidsbijdrage’ en ‘WGA eigen risico’ zorgen voor hogere personeelslasten. Het verschil met verleden jaar wordt behoorlijk gedempt door vrijval van personeelsvoorzieningen als gevolg van het opnieuw bepalen van het percentage dienstjubilea (als gevolg van hogere vertrekkans medewerkers). Tevens werd het ingezette beleid om het aantal inhuur te laten dalen in 2025 verder doorgezet met als gevolg een verdere verlaging van de lasten voor ‘Personeel niet in loondienst’ (€ 6 miljoen lager). De storingen aan sanitair en leidingwerk verklaren ook het verschil met de realisatie in 2024.

tabel 4

Balans geconsolideerd in M€ Realisatie 2025 Begroting 2025 Realisatie 2024 Afwijking tov begroting Afwijking t.o.v. 2024
VASTE ACTIVA          
Immateriële vaste activa 5,0 13,8 1,8 -7,8 4,3
Materiële vaste activa 291,5 284,7 289,6 5,8 0,9
Financiele vaste activa 6,4 1,5 6,3 4,9 0,1
Totaal vaste activa 302,9 300,0 297,7 3,0 5,3
           
VLOTTENDE ACTIVA          
Voorraden 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
Vorderingen 65,5 39,1 63,7 26,3 1,8
Liquide middelen 183,1 160,2 164,2 22,8 18,9
Totaal vlottende activa 248,6 199,4 227,9 49,2 20,7
           
Totaal activa 551,5 499,4 525,6 52,1 26,0
           
           
Eigen vermogen 240,2 206,8 207,5 33,4 32,7
           
Voorzieningen 28,5 28,6 34,5 -0,1 -6,0
           
LANGLOPENDE SCHULDEN          
Totaal langlopende schulden 6,8 6,7 7,0 0,1 -0,2
           
KORTLOPENDE SCHULDEN          
Totaal kortlopende schulden 276,0 257,3 276,6 18,7 -0,6
           
Totaal passiva 551,5 499,4 525,6 52,1 26,0

De afwijking tussen begroting balans en resultaat balans is deels gerelateerd aan het verschil tussen een prognose voor het exploitatieresultaat en de balans bij het opstellen van de begroting 2025 (derde kwartaal 2024) en de daadwerkelijk realisatie over 2025 (timingsverschil als gevolg ontwikkelingen in de laatste paar maanden van 2024).

Vergelijking balans ten opzichte van begroting 2025

De incidentele kosten van € 3,7 miljoen in verband met uitstel van het project VB26 resulteren in een verschil in immateriële vaste activa’. Een deel van de werkzaamheden van de aannemer aan het Tinbergen gebouw werd later dan gepland opgeleverd (dat had overigens geen impact op de gehele planning van de bouw), maar dit is niet zichtbaar in de vergelijking met de begroting; dat komt door het eerdergenoemde timingsverschil en de oorzaak hiervan is in 2024 verantwoord. Ook voor de ‘financiële vaste activa’ is er vooral sprake van een timingsverschil. Voor de ‘overige vorderingen’ geldt dat we met een aantal ontwikkelingen onvoldoende rekening hielden. Tevens is een bedrag bij de ‘liquide middelen’ begroot in plaats van ‘overige vorderingen’ (€ 14 miljoen positief).Door de flink hogere middelen vanuit het Rijk voor W&T zijn onze ‘liquide middelen’ toch flink hoger. Dit komt door de W&T middelen waarop tot geen kosten werden gemaakt. Daarnaast waren budgetten aangehouden voor diverse projecten waarop geen of minder aanspraak werd gemaakt. Hierop sturen we vanaf 2026 sterker, zodat we onbenutte budgetten kunnen aanwenden voor projecten waar anders geen middelen beschikbaar voor zijn. 

Het positieve exploitatieresultaat van 2025 zorgt voor een stijging van ‘eigen vermogen’ terwijl we een negatief exploitatieresultaat begroot hadden. Tot slot namen de kortlopende schulden verder toe door het vertraagd uitgeven van de bestuursakkoordmiddelen voor sectorplannen, starters- en stimuleringsbeurzen.

Vergelijking balans ten opzichte van de realisatie 2024

De ‘materiele vaste activa’ zijn redelijk stabiel. De verandering hierin is gerelateerd aan de geplande en versnelde afschrijvingen en de investeringen in met name het Campus In Ontwikkeling (CIO) III programma (waarvan een deel naar voren is gehaald) en groot onderhoud aan twee gebouwen. De verklaring in de toename van de ‘liquide middelen’ is gelijk aan de verklaring bij het verschil met de begroting(ontvangsten van de W&T-middelen die nog niet konden worden besteed en lagere benutting van intern toegekende/geoormerkte budgetten). 

Aan de passivazijde zien we twee belangrijke verschillen. Enerzijds zorgde het positieve exploitatieresultaat voor een stijging van het ‘eigen vermogen’. Anderzijds zorgden de diverse mutaties in de voorzieningen in totaal tezamen voor een neerwaartse bijstelling op de balans. De personele voorzieningen daalde door de eerdergenoemde aanpassing in parameters voor de jubileumvoorziening en een daling van het aantal langdurig zieken. Het opzetten van het Employability Fund (cao) zorgde ervoor dat de daling in personeelsvoorziening beperkt bleef. De overige voorzieningen dalen door aanwending van de voorziening milieuverplichtingen(verwijderen asbest) voor de renovatie van Tinbergen en een afname van de voorziening juridische geschillen. Omdat een deel van de starters- en stimuleringsbeurzen is ingezet, daalde de ‘kortlopende schulden’.   

Ontwikkelingen ratio’s

Ratio's financieel toezicht inspectie van het Onderwijs

tabel 5

Ratio's Definitie Signalingswaarde lvhO Actuals 2025 Actuals 2024
Liquiditeit (Vorderingen + liquide middelen) / kortlopende schulden < 0,5  0,90   0,82 
Solvabiliteit II (Eigen vermogen + voorzieningen) / totale vermogen x 100% < 0,30  0,49   0,46 
Absolute omvang liquide middelen Balanspositie ultimo balansdatum
< € 2 miljoen  183,1   164,2 
Signaleringswaarde voor toezicht op publiek eigen vermogen        
Ratio's Definitie Signalingswaarde lvhO Actuals 2025 Actuals 2024
Bovenmatig Eigen Vermogen De signaleringswaarde bovenmatig publiek eigen vermogen is:
(0,5*aanschafwaarde gebouwen*1,27)+(boekwaarde overige materiële vaste activa) +(omvangafhankelijke rekenfactor*totale baten)
Feitelijk publiek vermogen > signaleringswaarde eigen vermogen Feitelijk publiek vermogen: M€ 204.
Signaleringswaarde eigen vermogen: M€ 404
Feitelijk publiek vermogen: M€ 170.
Signaleringswaarde eigen vermogen: M€ 382.
Overige ratio's Inspectie van het Onderwijs        
Ratio's Definitie Signalingswaarde lvhO Actuals 2025 Actuals 2024
Rentabiliteit (1-jarig) Resultaat jaar t / totale baten t x 100% < -10% 3,5% -0,4%
Rentabiliteit (2-jarig) (retrospectief) ∑ (Resultaat jaar t-1; resultaat jaar t) / ∑ (totale baten jaar t-1; totale baten jaar t) x 100% < -5% 1,6% -1,3%
Rentabiliteit (2-jarig) (prospectief) ∑ (Resultaat jaar t; resultaat jaar t+1) / ∑ (totale baten jaar t; totale baten jaar t+1) x 100% < -5% 1,7% -0,4%
Rentabiliteit (3-jarig) (retrospectief) ∑ (Resultaat jaar t-2; resultaat jaar t-1); resultaat jaar t) / ∑ (totale baten jaar t-2; totale baten jaar t-1; totale baten jaar t) x 100% < 0% 0,4% -0,5%
Rentabiliteit (3-jarig) (prospectief) ∑ (Resultaat jaar t; resultaat jaar t+1; resultaat t+2) / ∑ (totale baten jaar t; totale baten t+1; totale baten jaar t+2) x 100% < 0% 1,1% -0,4%
Weerstandsvermogen Eigen vermogen / totale baten x 100% < 5% 25,0% 22,9%

Ontwikkeling solvabiliteit

Met name de toevoeging van het resultaat aan het eigen vermogen resulteert in een verhoging van de solvabiliteit.

Ontwikkeling liquiditeit

Zowel de onderwijsinspectie als de interne richtlijnen hanteren een signaleringswaarde van 0,5 voor de liquiditeitsratio. De liquiditeitsratio van de EUR is hoger. De universiteit beschikt hiermee over voldoende liquide middelen om haar korte termijn verplichtingen na te komen. Maar ook voor de aankomende jaren is liquiditeit van hoog belang. We noemen hierbij de geplande(hoge) vastgoedinvesteringen (CIO III en CIO IV met in het bijzonder Tinbergen)en investeringen in het kader van IT), de specifieke risico’s die hiermee gepaard gaan alsmede de risico’s die de actuele politieke en economische omstandigheden met zich meebrengen. Daarbij geldt dat de stijging vooral gerelateerd is aan hogere liquide middelen vanwege de ontvangst van W&T; deze worden aankomende jaren uitgegeven.

De liquiditeitspositie zal dus gaan afnemen en er zal een financieringsbehoefte ontstaan, op zijn vroegst eind 2026. Dat gebeurt als de CiO-investeringen op basis van de recente investeringsraming qua omvang en timing worden gerealiseerd. Zie ook de toelichting opgenomen in de paragraaf ‘Investeringen’.

De liquiditeitsratio is onderhevig aan veranderende (markt)omstandigheden en kan variëren. Hierdoor fungeert de signaleringswaarde als indicator in plaats van als vast gegeven. Gedurende het jaar wordt de liquiditeit gemonitord in de plan- en controlcyclus door middel van de liquiditeitsprognose.

Signaleringswaarde mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen

Het feitelijk eigen vermogen (publiek deel van het eigen vermogen) van de EUR bedraagt ultimo boekjaar 2025 € 204 miljoen. De signaleringswaarde eigen vermogen bedraagt voor de EUR ultimo boekjaar 2025 € 404 miljoen. 

Het publiek eigen vermogen komt daarmee niet boven de signaleringswaarde voor mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen van onderwijsinstellingen. 

De cijfers zoals opgenomen in de geconsolideerde balans en de geconsolideerde staat van baten en lasten vormen de grondslag voor het berekenen van het feitelijk eigen vermogen en het normatief eigen vermogen.

Continuïteitsparagraaf

Inleiding

Deze paragraaf biedt inzicht in het financieel beleid van de EUR, de verwachte gevolgen hiervan voor onze financiële positie en de hiermee samenhangende risico’s voor de jaren 2026 en verder. Een en ander is in overeenstemming met de voorschriften van het ministerie van OCW in de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs. De rapportage van het toezichthoudend orgaan is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit jaarverslag. 

De meerjarenbegroting als onderdeel van het meerjarenplan, vastgesteld door het College van Bestuur op 18 november 2025 en goedgekeurd door de Raad van Toezicht op 3 december 2025, vormt een belangrijke basis voor de continuïteitsparagraaf. Deze meerjarenbegroting betreft een periode van vijf jaar. Er zijn diverse onzekerheden die een impact kunnen hebben op de financiën van onze universiteit. 

We starten met een toelichting op belangrijke ontwikkelingen, gevolgd door een toelichting op elementen uit de meerjarenbegroting.

Belangrijke externe ontwikkelingen

Politiek en economisch klimaat

We constateren dat de voorspelbaarheid van (politieke) ontwikkelingen steeds lastiger wordt en dat we regelmatig worden verrast, met het laatste regeerakkoord als actueel voorbeeld. Gingen we met het opstellen van de laatste begroting nog uit van flinke extra bezuinigingen, nu lijkt het erop dat deze deels teruggedraaid gaan worden. Het kabinet is van plan om stevig te investeren in onderwijs, onderzoek en innovatie. De impact hiervan op onze plannen die we hebben moeten afbreken met het stopzetten van het bestuursakkoord in 2025 waardoor 40 miljoen aan beurzen wegviel is onzeker. De plannen die we zouden bekostigen vanuit de beurzen zijn deels wel doorgezet. Tegenover de kosten die gemaakt gaan worden, staan dus geen baten vanuit de beurzen. Dit heeft een dempend effect op de resultaten. Overigens werden verleden jaar onverwacht en in een vrij laat stadium na het stopzetten van de beurzen aan de andere kant wel weer ruim 23 miljoen aan middelen voor Werkdruk & Talentbeleid (W&T) toegekend. Dat maakt dat we in een jaar (2025) waarin we flink hebben bezuinigd ineens toch positief kunnen uitkomen. Het is dan ook moeilijk om draagvlak te houden voor veranderingen omdat na diverse ‘winstwaarschuwingen’ resultaten ineens weer fors meevallen. Door de ontvangst van de W&T daalt de Rijksbijdragen de aankomende jaren minder hard dan eerder verwacht. Voor de inzet van deze middelen de aankomende jaren worden momenteel plannen opgesteld. Het financiële effect hiervan is verwerkt in onze meerjarenbegroting. In het regeerakkoord is ook talentstrategie genoemd als thema om ervoor te zorgen dat Nederland voldoende talent aantrekt, opleidt en behoudt voor de arbeidsmarkt en de wetenschap. Aanvullend schrapt het kabinet de verplichte toets op anderstalig onderwijs en wil het kabinet het huidige aanbod aan anderstalige opleidingen in stand houden. De ontwikkelingen rondom de Wet Internationalisering in Balans krijgen dus wederom andere vorm. De impact voor onze universiteit brengen we aankomende periode in kaart. Al met al is het duidelijk dat we minder afhankelijk moeten worden van die eerste geldstroom en we onze kwetsbaarheid voor politieke besluitvorming terug moeten dringen. 

De (landelijke) studentaantallen dalen de komende jaren (fors) en compensatie van loon- en prijsstijgingen is niet langer een automatisme. Naast een daling in onze belangrijkste inkomstenbron, de eerste geldstroom, zien we aan de kostenkant stijgingen door investeringen in onze campus bijvoorbeeld de renovatie van Tinbergen en IT-faciliteiten – en de daarvoor benodigde financieringen. Zowel onze afschrijvingen, huisvestingslasten en financiële lasten stijging hierdoor. De impact van het regeerakkoord kunnen we nog niet goed inschatten en zijn daarom niet meegenomen in onze cijfers. Mogelijk heeft het voornemen tot het terugdraaien van bezuinigingen positief effect op de Erasmus Universiteit. 

De EUR is in voorgaande jaren in staat gebleken om deze resultaat verlagende ontwikkelingen grotendeels op te vangen. Door een sterkere focus op diversificatie van opbrengsten verwachten de faculteiten en verbonden partijen een groei in de overige inkomsten, terwijl organisatiebreed bezuinigingsmaatregelen zijn doorgevoerd. Dit heeft ervoor gezorgd dat de EUR nog steeds financieel gezond is. Wel is het van belang dat we de ingezette maatregelen voortzetten en waar nodig aanvullende stappen nemen en effectueren, zodat we onze (financiële) continuïteit kunnen blijven waarborgen. Zonder aanvullende taakstellingen – alle omstandigheden gelijkblijvend - slagen we er niet in om meerjarig een sluitende begroting te realiseren. Om de begroting de komende jaren structureel wel sluitend te houden, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om onze sterke eigen vermogenspositie te handhaven. Doen we dat niet, dan neemt ons eigen vermogen af wat leidt tot een kwetsbaardere financiële positie. Dat kunnen we ons niet veroorloven, zeker gezien de onzekere tijden. 

Investeringen in onze campus en onze ICT-faciliteiten hebben effect op onze liquiditeit. De omvang van de investeringen in de campus hangt mede samen met de vastgoedstrategie van de universiteit. Deze (gewijzigde) strategie is op dit moment nog niet verwerkt in de gepresenteerde cijfers en prognoses. Momenteel worden verschillende scenario’s doorgerekend, onder meer gericht op het efficiënter en anders inrichten en gebruiken van kantoor- en onderwijsruimten, mede in het kader van kostenbeheersing en de verwachte ontwikkeling van studentenaantallen. Zodra hierover bestuurlijke keuzes zijn gemaakt, worden de financiële consequenties verwerkt in de meerjarenprognoses en investeringsramingen.

De genomen maatregelen hebben onder andere betrekking op het verlagen van de budgetten van de diensten met 5%, het opvangen van de meerkosten rondom het vastgoed binnen het bestaande budget en herstelplannen bij enkele faculteiten. Dit komt bovenop de reguliere (EUR-brede) bezuinigingen door alle faculteiten en diensten. Hiervoor hebben we een algehele taakstelling in onze meerjarenbegroting opgenomen vanaf 2027. Daarnaast is er aandacht voor de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de cijfers. We zien dat begrotingen realistischer worden en prognoses een betere voorspelling van de uiteindelijke resultaten bieden. Dit versterkt onze noodzakelijke financiële sturing.

Strategische samenwerkingsverbanden

Als Engaged University blijft de EUR investeren in samenwerkingen met verschillende nationale en internationale partners. Hiervoor zijn in de aankomende jaren diverse budgetten beschikbaar. Onderstaande tabel geeft nader inzicht hierin.

tabel 6

Bedragen in k€   Jaarlijks
Convergentie
Samenwerking EMC/TU Delft/EUR om grenzen tussen instituten en disciplines te overbruggen om nieuwe perspectieven en oplossingen te creëren. Vijf thema's:
- Resilient delta
- Health en technologie
- AI, Data & digitalisation
- Pandemic & Disaster preparedness Center
- Healthy start
6600
CLI en IDEA
Community for Learning and Innovation: Verbinden en het mogelijk maken van onderwijsinnovatie
Inclusion, Diversity, Equity & Access Center: voor een inclusieve, diverse, rechtvaardige en toegankelijke universiteit en een academische omgeving.
1731
LDE (incl minor en traineeprogramma)
Multidisciplinaire samenwerking Leiden Universiteit, TU Delft en Erasmus voor grote maatschappelijke vraagstukken van deze tijd. Samenwerkingsgebieden: onderwijs, onderzoek, impact. . 2165
Medical Delta
Transdisciplinair samenwerkingsverband van meer dan 1.000 deelnemers van EUR, EMC, TU Delft, LUMC, Universiteit Leiden en vier Zuid-Hollandse hogescholen. Samenwerking met bedrijven, overheden en zorginstellingen aan innovatieve oplossingen voor een duurzame gezondheidszorg. 400
Cultuur & Campus Samenwerking Codarts Rotterdam, EUR, Hogeschool Rotterdam en de gemeente Rotterdam. Bevordering hoger onderwijs, cultuur en toerisme op Rotterdam-Zuid.
75
UNIC
Alliantie 10 Europese universiteiten in postindustriële steden: uitvoeren geëngageerd onderzoek, creatie praktijkgemeenschappen en bereiken positieve maatschappelijke impact. 292
Kenniswerkplaatsen (inclusief Govlab) Netwerk gemeente Rotterdam en Rotterdamse kennis- en onderwijsinstellingen (primair tot wetenschappelijk). Betreft kennisontwikkelingen en kennisuitwisseling op onderwijsbeleid en de praktijk van het onderwijs in Rotterdam. 210
Totaal samenwerkingen per jaar   11473

Verwachte ontwikkeling aantallen studenten

We verwachten dat de twee jaar geleden ingezette daling van het aantal studenten aankomende jaren verder doorzet. Deze daling zit vooralsnog in de EER-studenten, voornamelijk minder Nederlandse studenten door demografische ontwikkelingen. Deze daling is nog sterker dan voorspellingen van DUO, waarop we onze begroting op studentenaantallen baseren. Het aantal niet-EER studenten daarentegen stijgt licht. We verwachten dat dit zich vanaf collegejaar 2027-2028 ombuigt naar dalende aantallen, passend bij de landelijke afspraken over terugdringen van het aantal internationale studenten. Hierbij spelen de ontwikkelingen rondom de Wet Internationalisering in Balans een rol. We hebben de financiële impact hiervan nog niet verwerkt. Duidelijk is de Toets Anderstalig Onderwijs (TAO) van de baan is. Desalniettemin hebben de universiteiten onderling besloten het voorstel voor zelfregie door te zetten. Dit betekent voor de EUR dat het aantal internationale eerstejaarsstudenten in de bachelor ten opzichte van collegejaar 2025/2026 wel moet gaan dalen. Omdat er nog geen definitieve keuzes zijn, verwerken we de financiële effecten op collegegelden en rijksbijdrage nog niet. We verwachten dat de eerste effecten vanaf collegejaar 2027/2028 zichtbaar worden. Eerste scenarioberekeningen laten zien dat het negatieve effect op de eerste geldstroom (rijksbijdrage en collegegelden) in de structurele situatie (vanaf 2034) rond € 6 miljoen ligt.

In totaal leidt de hogere daling van studenten die we nu reeds zien tot een beperkte neerwaartse bijstelling van de collegegeldbaten. Dit is omdat de niet-EER student een flink hoger tarief (instellingscollegegeld) betaalt dan de EER-student. Daarnaast zijn deze instellingscollegegeld tarieven ook forser gestegen dan eerder voorzien. 

Raming ontwikkeling studentaantallen EUR

tabel 7

Collegejaar Realisatie 24/25 B 25/26 B 26/27 B 27/28 B 28/29 B 29/30 B 30/31
Aantal studenten EUR  31.473   31.049   30.686   30.352   30.095   29.851   29.602 
Waarvan EER  28.914   28.459   28.089   27.766   27.525   27.303   27.075 
Waarvan N-EER  2.559   2.590   2.597   2.586   2.569   2.549   2.527 

Verwachte ontwikkeling personele bezetting

We verwachten een afname van het aantal fte; vooral zichtbaar bij het aantal promovendi. Promovendi worden voornamelijk bekostigd vanuit de 2e en 3e geldstroom. De baten vanuit deze geldstroom zijn voorzichtig begroot wat zichtbaar is in een afnemend aantal promovendi als verwachting. De afname heeft een dempend effect op de personeelskosten. In totaal stijgen de personeelskosten nog wel. Dit is vooral gerelateerd aan een te verwachten cao-verhoging voor 2026 en de periodieke salarisverhogingen. De EUR streeft naar een werknemersbestand met een stabiele, goed opgeleide vaste kern. Dit versterkt de interne expertise, bevordert continuïteit en biedt op termijn meer grip op de personeelskosten. Daarom zetten we ook in op een verlaging van externe inhuur. In 2024 bedroegen de kosten van inhuur nog circa 4,5% van de totale personeelslasten; in de periode 2026-2030 verwachten we een daling naar 2,7-3,2%.

tabel 8

FTE aantallen exclusief EMC FGG en verbonden partijen          
  2026 2027 2028 2029 2030
FTE wetenschappelijk personeel 1156 1115 1098 1089 1079
FTE promovendus 479 436 397 340 296
FTE studentassistenten 100 94 92 91 91
FTE ondersteunend en leidinggevend personeel 1393 1357 1344 1338 1332
FTE CvB 3 3 3 3 3
Totaal 3131 3005 2935 2861 2800

tabel 9

FTE aantallen inclusief EMC FGG en verbonden partijen          
  2026 2027 2028 2029 2030
FTE wetenschappelijk personeel 2324 2290 2278 2270 2264
FTE promovendus 981 941 901 844 800
FTE studentassistenten 111 106 105 107 108
FTE ondersteunend en leidinggevend personeel 2761 2726 2718 2714 2708
FTE CvB 3 3 3 3 3
Totaal 6181 6066 6005 5938 5883

Omvangrijke investeringen vastgoed en IT

Vastgoed

Investeringen Campus in Ontwikkeling

De EUR werkt aan een doorontwikkeling van de campus. Het project Campus in Ontwikkeling (CIO) draagt bij aan een internationale uitstraling, een stimulerende leer- en werkomgeving en een duurzame campus en past bij ons streven om een van de meest duurzame universiteiten van Nederland te zijn. De renovatie van het Tinbergen Building, een gemeentemonument dat sinds 1968 in gebruik is, is een belangrijk onderdeel van deze duurzaamheidsinspanningen. De meeste technische installaties van dit gebouw waren over hun levensduur en voldeden niet meer aan de huidige wetgeving. Tinbergen wordt in 2026/2027 gerenoveerd. Het project CIO is in 2025 in uitvoering gegaan. In 2025 is hard gewerkt aan de vertaling van het definitief ontwerp naar een uitvoeringsgereed ontwerp. Parallel hieraan is gestart met de sloop en asbestsanering binnen het pand. Vanaf 2026 gaat de daadwerkelijke opbouw starten. Tot op heden loopt dit conform planning en zijn de risico’s en mitigerende maatregelen goed in kaart gebracht. 

De overige, grote projecten in het bestaande CIO-programma zijn in voorbereiding, zoals de technische renovatie van het Bayle gebouw, het van der Goot gebouw en ontwikkelingen op het terrein. Op basis van de huidige inzichten verwachten we tot en met 2031 nog € 186 miljoen te investeren vanuit het bestaande programma. Hierin is in 2025 indexatie meegenomen om de bedragen die dateren uit 2016 aan te laten sluiten bij de ontwikkelingen heden ten dage (prijspeil 2025). In dit kader werkt RE&F momenteel aan een integraal inzicht in de vastgoedportefeuille en de bijbehorende meerjarige investerings- en onderhoudsopgave. De uitkomsten hiervan kunnen van invloed zijn op de omvang en prioritering van toekomstige investeringen.

tabel 10

Cashflowprognose                      
x € 1 mln.                      
  2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
CiOIII  € 23   € 63   € 49   € 37   € 20   € 4   € 4   € -   € -   € -   € - 
PEG  € -   € -   € -   € 2   € 2   € 3   € -   € -   € 1   € -   € 1 
SESA  € -   € 0   € -   € -   € -   € -   € -   € -   € -   € -   

We verwachten de investeringen deels te financieren vanuit eigen middelen en deels vanuit externe financiering. Daarnaast zorgen de aanhoudende loon- en prijsstijgingen voor een toenemende financiële druk op de CIO-projecten.

Naast investeren in vastgoed, staat voor het jaar 2028 ook de (mogelijke) verkoop van een pand gepland. We verwachten hierop een eenmalig resultaat van €13,5 miljoen te behalen.

De investeringen in vastgoed zorgen voor hogere huisvestingskosten en afschrijvingskosten. Deze hebben we verwerkt in cijfers.

Arbeidsmarkt en prijsontwikkeling

Net als in voorgaande jaren verwachten we in 2026 en de jaren daaropvolgend schaarste aan bouwmateriaal en -personeel. Samen met de vraag die bouwbedrijven ervaren, maakt dat aannemers risicomijdend inschrijven. Hierdoor neemt de kans op het vinden van meerdere geschikte kandidaten voor een project af en werkt de concurrentie niet zoals in het verleden. Dit alles kan leiden tot een stijging van de bouwkosten en het uitlopen van de planning.

De energiekosten leken zich meer te stabiliseren, maar dat is sinds de oorlog in Iran inmiddels niet meer het geval. De onzekerheid duurt voort door geopolitieke ontwikkelingen. Aandacht voor het sturen van energieverbruik op de campus is van groot belang. Daarbij spelen de openingstijden en het gebruikspatroon van de gebouwen een grote rol, net als verbetering van de efficiënte inzet ervan.

In de komende jaren blijft de focus liggen op het realiseren van de doelstellingen uit de Portefeuilleroutekaart Energie-transitie Gebouwen (PEG), waarbij energiebesparende maatregelen centraal staan. Met de energiebesparende maatregelen werkt de universiteit toe naar ‘Paris Proof’ in 2030. Het realiseren van deze doelstellingen is afhankelijk van de uitvoering van het groot onderhoud in de komende jaren, waarin deze maatregelen worden meegenomen. Ook stellen we een lange termijn energiemanagementvisie op, welke bijdraagt aan het verder optimaliseren van ons energieverbruik.

CIO IV fase 4 investeringsprogramma

CIO IV bevat in de basis groot onderhoud van de gebouwen, te beginnen met het Mandeville gebouw. Om de investeringen vanuit het programma te kunnen bekostigen en binnen de exploitatie te kunnen dragen worden er in CIO IV scenario’s uitgewerkt die leiden tot demping van de exploitatielasten op langere termijn. De verwachting is dat besluitvorming over het investeringsprogramma en de bijbehorende scenario’s in 2026 zal plaatsvinden. De eventuele impact hiervan wordt in de volgende meerjarenbegroting meegenomen

IT

Invulling ambities in een snel ontwikkelende omgeving

Op het gebied van digitale transformatie ziet de EUR zich de komende jaren gesteld voor grote en complexe uitdagingen. Er zijn belangrijke ambities zoals voortkomend uit de nieuwe strategie: ‘One connected EUR’, diepgaandere samenwerking met partners en maatschappij en op het gebied van Leven Lang Ontwikkelen. Tegelijkertijd is er sprake van een zich razendsnel ontwikkelend digitaal landschap, met onder andere de AI-revolutie waarop de EUR wil en moet inhaken en dreigingen op het gebied van digitale- en data soevereiniteit en cyber criminaliteit. We ontvangen hiervoor ook middelen vanuit het Rijk. De Staat der Digitalisering en de daaruit voortkomende Digitale Roadmap worden gezien als leidraad voor verbeteringen in de digitalisering van onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering. De komende jaren zal voorgaande het nodige van de organisatie vragen. 

Organisatiebreed zal de komende periode veel aandacht uitgaan naar de volwassenheid, optimalisatie en standaardisatie van processen en systemen als het gaat om effectiviteit, efficiency, compliance en continuïteit.

Succes kan alleen behaald worden in goede afstemming en samenwerking met bestuur, faculteiten en diensten enerzijds en met partners van de EUR, leveranciers en samenwerkingsverbanden anderzijds. Er is veel verandermoed en -kracht nodig om de proces- en applicatieoptimalisatie te realiseren die capaciteit en ruimte moet creëren voor duurzame innovatie.

Investeringen in 2026-2030

Tegelijkertijd met bovenstaande ambities is er sprake van teruglopende financiering vanuit het Rijk en door krimpende studentenaantallen. Deze maken een efficiencyslag in hoe middelen voor digitalisering worden ingezet en benut noodzakelijk. 

De huidige investeringen betreffen naast het bedrijfsvoeringssysteem voornamelijk EUR-brede hardware faciliteiten zoals audiovisueel (schermen), netwerk en Chromebooks (ten behoeve van tentamens). Dit volgens meerjaren-vervangingsplanningen, waarbij vanuit kostenoogpunt en duurzaamheidsgedachte kritisch wordt gekeken naar verlengingsmogelijkheden van de gebruiksduur. Specifiek noemen we hier investeringen AI.

Meerjarenbegroting

In de meerjarenbegroting is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de ontwikkelingen die de universiteit raken. De impact van het nieuwe regeerakkoord is niet verwerkt, aangezien dit pas na oplevering van de begroting is opgesteld en de financiële consequenties nog onduidelijk zijn.

Meerjarenbalans

tabel 11

Balans geconsolideerd in M€ Realisatie 2025 Begroting 2026 Planning 2027 Planning 2028 Planning 2029 Planning 2030
VASTE ACTIVA            
Immateriële vaste activa 5,0 7,1 5,6 4,8 4,0 3,1
Materiële vaste activa 291,5 371,8 408,1 416,7 405,6 384,0
Financiele vaste activa 6,4 6,3 6,3 6,3 6,3 6,3
Totaal vaste activa 302,9 385,1 420,1 427,8 415,8 393,4
             
VLOTTENDE ACTIVA            
Voorraden 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
Vorderingen 65,5 56,2 56,7 58,9 58,2 58,7
Liquide middelen 183,1 92,4 106,9 89,4 91,8 107,1
Totaal vlottende activa 248,6 148,5 163,6 148,3 150,0 165,8
             
Totaal activa 551,5 533,7 583,7 576,1 565,8 559,2
             
             
Eigen vermogen 240,2 230,6 230,6 230,6 230,6 230,6
             
Voorzieningen 28,5 31,9 32,9 34,7 37,7 40,7
             
LANGLOPENDE SCHULDEN            
Totaal langlopende schulden 6,8 16,0 82,8 79,5 76,0 72,5
             
KORTLOPENDE SCHULDEN            
Totaal kortlopende schulden 276,0 255,2 237,5 231,4 221,4 215,5
             
Totaal passiva 551,5 533,7 583,7 576,1 565,8 559,2

Met name de investeringen vastgoed en IT zorgen voor een aantal mutaties in onze balans.

De investeringen in een vervangend bedrijfsvoeringsysteem voor Finance en HR resulteren in een stijging van de immateriële vaste activa.Hierbij de kanttekening dat in de begroting nog is uitgegaan van invoering van het nieuwe bedrijfsvoeringssysteem met ingang van 2026. Inmiddels is duidelijk dat deze datum naar een later moment verschuift. De meerkosten die hiermee gemoeid zijn bedragen circa € 5 miljoen.

De investeringen in huisvesting (CiO, Tinbergen) zorgen instantie voor een stijging van materiële vaste activa. Na 2028 zijn de hogere investeringen gedaan en dalende materiële activa.

De investeringen in vastgoed bekostigen we voor een groot deel met onze liquide middelen en met een schatkistfinanciering. Vanaf 2026 zien we daarom onze liquide middelen dalen en onze langlopende schulden toenemen. Momenteel loopt een adviestraject over de benodigde omvang en timing van het aangaan van leningen. De huidige langlopende schulden betreffen financiële leaseverplichtingen (huurovereenkomst met gemeente Rotterdam). Deze dalen door aflossing.

De begrote resultaten van FGG/EMC zijn verwerkt onder ‘Resultaat aandeel van derden’ en zijn geen onderdeel van het EUR vermogen.

tabel 12

Staat van baten en lasten - geconsolideerd (M€) Realisatie 2025 Begroting 2026 Planning 2027 Planning 2028 Planning 2029 Planning 2030
BATEN            
Rijksbijdragen 490,5 490,8 481,6 471,6 461,5 459,9
College-, cursus-, les- en examengelden 95,2 98,9 101,6 100,7 99,9 99,1
Baten werk in opdracht van derden 251,8 258,8 262,9 269,5 274,9 280,1
Overige baten 123,7 130,9 131,7 146,4 133,9 134,0
Totaal baten 961,2 979,4 977,8 988,3 970,2 973,2
             
LASTEN            
Personeelslasten 654,6 679,9 676,0 672,5 670,9 669,3
Afschrijvingen 43,0 36,6 40,0 43,0 43,2 43,3
Huisvestingslasten 48,7 45,8 44,2 46,7 47,0 45,9
Overige lasten 181,7 217,9 209,4 215,1 208,4 208,2
Totaal lasten 928,0 980,3 969,6 977,3 969,5 966,7
             
Saldo baten en lasten 33,2 -0,9 8,2 11,0 0,7 6,5
             
Financiële baten (rente/resultaat deelnemingen) 8,5 3,1 3,1 3,1 3,1 3,1
Financiële lasten (rente/belastingen) 0,0 -2,2 -5,1 -5,0 -4,9 -4,8
Saldo financiele baten en lasten 8,5 0,9 -2,0 -2,0 -1,8 -1,7
             
Resultaat uit gewone bedrijfsvoering 41,7 0,0 6,2 9,0 -1,1 4,8
             
Resultaat aandeel van derden 8,7 0,0 9,0 9,0 9,0 9,0
             
Nettoresultaat 33,0 0,0 -2,8 0,0 -10,1 -4,2
             
Target   0,0 2,8 0,0 10,1 4,2
             
Nettoresultaat na target 33,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Het is van belang om onze gezonde vermogenspositie te handhaven en dus zetten we flink in op bezuinigingen. Dat is zichtbaar in onze meerjarenbegroting. Zoals eerder vermeld moet een deel hiervan nog gerealiseerd worden, zoals de invulling van de taakstelling bij de diensten en de uitvoering van verbeterplannen door verschillende faculteiten. Het begrote resultaat van 2028 is eenmalig positief door verkoop van vastgoed.

De afname van de rijksbijdragen komt vooral door de negatieve bijstelling van de referentieraming als gevolg van eerdergenoemde daling van het aantal studenten.Daarentegen wordt vanaf 2025 een bijdrage ontvangen voor W&T. Het effect van het wegvallen van de beurzen wordt pas zichtbaar na 2030. Deze baten kunnen over meerdere jaren worden ingezet en zijn tot dat gebeurt onderdeel van de balans. Bovendien kunnen ook beurzen uit eerdere jaren de komende jaren nog worden benut. Dat leidt tot opbrengsten in de jaren waarin we ook de kosten maken.

Ons streven naar meer diversificatie in de geldstromen, met als doel om minder afhankelijk te worden van de eerste geldstroom, is zichtbaar in de toename van ‘baten werk in opdracht van derden’.

We verwachten in 2026 hogere salarislasten als gevolg van ons beloningsbeleid (periodieke verhogingen) en cao. De afname van de personele lasten vanaf 2027 hangt grotendeels samen met de daling van het aantal fte. Die daling begint al in 2026. 

De ontwikkelingen rondom vastgoed hebben duidelijk impact op onze begroting:

  • Met de ingebruikname van gebouw nemen de afschrijvings- en huisvestingskosten vanaf 2027 toe. Overigens worden deze ook hoger vanwege de implementatie van het nieuwe bedrijfsvoeringssysteem;
  • De sloop van diverse gebouwen in 2026, 2028 en 2029 zorgen voor aanvullende stijging van de huisvestingslasten (sloopkosten);
  • Door de bekostiging van de renovatie van Tinbergen nemen onze middelen af en gaan we leningen aan. Dit zorgt voor een verlaging van het saldo van financiële baten en lasten (daling lagere rentebaten in combinatie met hogere rentekosten).  Vergeleken met onze realisatie in 2025. Het resultaat aandeel van derden betreft de begrote resultaten van de verbonden partijen.

Risicobeheersings- en controlesysteem

De in 2025 gepresenteerde Strategy 2030 is het antwoord op de externe bedreigingen met een geïntegreerde aanpak. Dit geeft strategische sturing voor het beheersen van risico’s. 

Voor het identificeren, inschatten en beheersen van de risico’s waar de EUR mee wordt geconfronteerd, hanteert de universiteit een robuust beheersingskader. Dit kader is gebaseerd op gezamenlijke beleidsvorming, verankerd in de brede strategie, governance en beleid van de EUR. Ze wordt gedragen door alle betrokken partijen, waaronder het CvB, decanen, directeuren van ondersteunende diensten en onderwijs- en onderzoeksdirecteuren. De EUR onderschrijft de VSNU Code Goed Bestuur. 

Voor de verschillende werkvelden en risicomanagementthema’s zijn beheersingssystemen opgezet, conform wet- en regelgeving en opgenomen in reglementen en procedures.Daarnaast is gewerkt aan het ontwerp en de implementatie van een overkoepelend raamwerk voor risicomanagement, waarin deze werkvelden en thema’s gestructureerd samengebracht worden. Het raamwerk wordt in 2026 stapsgewijs ingevoerd. Hiermee werkt de EUR aan het versterken van het organisatiebrede risicomanagement, zowel operationeel als strategisch. Als onderdeel hiervan wordt een EUR risk appetite opgesteld door het CvB en RvT die naar verwachting in het eerste halfjaar van 2026 wordt bekrachtigd en de strategische sturing bevordert. 

Dit zijn de ontwikkelingen met betrekking tot thematische risicobeheersings- en controlesystemen:

  • Het informatie- en IT-risicocontrolesysteem sluit aan op het EUR Informatie­risicomanagementkader en omvat onder meer risicoanalyses van kernapplicaties, dreigingsanalyses, Plan-Do-Check-Act(PDCA)-cycli en bijbehorende behandelplannen. Het is ingericht conform het normenkader van de ISO 27001; 
  • De EUR voert vendor risk management uit door leveranciers risicogericht te onderzoeken via gestructureerde vendor risk assessments. Met de EUR-brede PDCA-cyclus zorgen we ervoor dat financiële risico’s op tactisch en strategisch niveau worden geïdentificeerd en gemonitord en dat bijsturing plaatsvindt indien dit nodig is; 
  • Het financieel Risk & Control Framework (RCF) omvat verder een breed scala aan interne beheersingsmaatregelen die zijn ontworpen om belangrijke operationele financiële risico’s tijdig te identificeren en effectief te beheersen. Zo blijven we in control; 
  • De EUR hanteert een Business Continuity Management (BCM)-systeem dat kritieke processen identificeert en de continuïteit en weerbaarheid hiervan verbetert met impactanalyses, herstelplannen en structurele evaluatie. Bij verstoringen van deze processen wordt BCM geïntegreerd toegepast binnen de bestaande crisisstructuur, waardoor besluitvorming en herstelmaatregelen gezamenlijk en organisatiebreed worden afgestemd. De EUR stelde een intern beleid- en afwegingskader kennisveiligheid op voor de beoordeling van kennisveiligheidsrisico’s bij nieuwe internationale samenwerking (hetzij individueel, hetzij institutioneel). Ook houdt de universiteit een intern overzicht met potentieel risicovolle samenwerkingen bij bestaande verbanden bij. Voor het beheersen van risico’s in verband met bescherming van persoonsgegevens en privacy hanteert de EUR het SURF Toetsingskader Privacy. Een speerpunt van het meerjarenprogramma privacy is om de aantoonbaarheid en zichtbaarheid van privacycompliance verder te verbeteren.

Risico’s en onzekerheden

De meerjarenbegroting bevat een aantal onzekerheden. De belangrijkste onzekerheden zijn hieronder opgenomen inclusief de mogelijke impact en we geven inzicht hoe we hiermee om gaan.

Onvolledige compensatie loon- en prijsstijgingen

Waar in het verleden loon- en prijsstijgingen volledig gecompenseerd werden door OC&W, worden we inmiddels geconfronteerd met onvolledige compensatie. In 2025 beperkt de compensatie zicht bijvoorbeeld tot de lonen en is de materiële prijsstijging niet gecompenseerd. Ook voor 2026 is de verwachting dat de compensatie niet volledig zal zijn.

Mitigerende maatregelen:

  • Samen met de collega-universiteiten optrekken om een zo sterk mogelijke onderhandelingspositie te hebben in gesprekken met OC&W;
  • Goede analyses en prognoses van de financiën om tijdig te kunnen bijsturen, inclusief analyse van de rijksbijdragebrieven;
  • Sturen op kosten, bijvoorbeeld inkoop bij nieuwe contracten.

Elk procent niet-gecompenseerde loonstijging correspondeert met ongeveer M€ 3. Elke procent prijsstijging met ruim M€ 1.

Bandbreedte impact op begrotingsresultaat per jaar

  • Miljoen (M)€ 0 indien volledige compensatie op loon- en prijsstijging
  • Miljoen (M)€ 12 negatief indien geen compensatie op loon- en prijsstijging

Investeringen in en financiering van huisvesting

De renovatie van Tinbergen is in 2024 gestart en de komende jaren investeert de EUR fors in dat pand en ander vastgoed op de campus. Zeer waarschijnlijk zal hiervoor moeten worden geleend. De omvang, timing en rentepercentage van de lening(en) maar ook het daadwerkelijke tempo van de investeringen zijn onzeker. In het Direct Purposes Fund zijn hiervoor middelen gereserveerd, maar onduidelijk is of die reservering toereikend zal zijn. Daarbij komen de onzekere ontwikkelingen in studentenaantallen en kostenontwikkeling op de bouwmarkt (zowel personeel als materieel) en in geval van verkoop van panden de ontwikkeling van de vastgoedmarkt. De geplande verkoop van een pand kan deels worden benut. Hiermee is rekening gehouden in het resultaat, verkoop staat echter nog niet vast, dat is een aanvullend risico.

Mitigerende maatregelen:

  • Tussentijdse vastgoedrapportages door RE&F;
  • Bewaken of de uitgangspunten van de Tinbergen business case haalbaar blijken in de praktijk;
  • Monitoren van de liquiditeit om te voorkomen dat onnodig (snel) leningen worden aangegaan;
  • Opstellen van een financieringsstrategie met advies van EY/Parthenon.

In business case Tinbergen is voor periode 2026-2030 cumulatief M€ 36 aan maatregelen benoemd om kosten op te vangen.

Bandbreedte is per jaar verschillend

  • M€ 0 indien alle maatregelen worden gerealiseerd.
  • M€ 1 tot  M€ 17 negatief indien een of meerdere maatregelen niet worden gerealiseerd.

Coalitieakkoord nog niet bekend

Het effect van de uitspraken in het coalitieakkoord is nog niet bekend en hebben we daarom niet meegenomen in onze cijfers.

Bandbreedte impact op begrotingsresultaat per jaar is PM (positief)

Wet Internationalisering in Balans

De politieke besluitvorming over de WIB en het zelfregievoorstel van de universiteiten heeft verdere vertraging opgelopen door de val van het kabinet. Dit leidt tot mogelijke verschuiving in startdata van maatregelen en de financiële impact daarvan. De verkiezingsprogramma’s bevatten zowel beperkingen als uitbreiding op de WIB ten opzichte van het huidige voorstel.

Mitigerende maatregelen:

  • Volgen politieke ontwikkelingen en besluitvorming;
  • Gebruik maken van scenario’s.

Bandbreedte impact op begrotingsresultaat per jaar

Structurele impact van zelfregievoorstellen komt pas na 2030 tot uiting.

Diversificatie van inkomstenstromen

Met de instabiliteit van niet alleen de wereldpolitiek maar ook de besluiten van onze eigen overheid, is het snel vergroten van onze wendbaarheid vereist. We willen minder afhankelijk worden van de eerste geldstroom. Diversificatie is noodzakelijk voor het uitvoeren van onze kernactiviteiten nu we niet meer om de onzekerheden over de 1e geldstroom heen kunnen. 

Mitigerende maatregelen:

  • Uitvoeren strategie, samenwerken met andere partijen; 
  • Terugkerend onderwerp in bestuurlijke gesprekken.  

Bandbreedte impact op begrotingsresultaat per jaar is PM

Hieronder een overzicht van specifieke EUR-brede risico's en de maatregelen die worden genomen om ze te beheersen. Beheersmaatregelen kunnen van toepassing zijn op meerdere risico’s en worden niet herhaald bij elk onderwerp. De volgorde is willekeurig en geeft geen indicatie van prioriteit of inschatting van impact. 

Geopolitiek

Veiligheids-, reputatie-, en financiële risico’s 

Dreigingsschets: Het huidige geopolitieke klimaat wordt gekenmerkt door spanningen tussen grote mogendheden, waarbij kwesties zoals handel, technologie en militaire invloed centraal staan. Daarnaast spelen regionale conflicten en klimaatverandering een steeds grotere rol. Deze ontwikkelingen leiden tot risico’s voor de universiteit. Hybride dreigingen kunnen leiden tot de ernstige verstoringen van onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering. Geopolitieke stress kan ook zorgen voor toenemende competitie op het gebied van schaarse (financiële) middelen en hoogwaardig personeel – verderop meer daarover.

Risico’s: 

  • Door polarisatie, des- en misinformatie en soms radicalisering ten opzichte van (soms lang als on-controversieel geziene) standpunten is er risico dat de academische vrijheid onder druk komt en wetenschappers te maken kunnen krijgen met externe intimidatie of bedreigingen vanwege hun onderzoek.
  • Geopolitieke onderwerpen leiden tot demonstraties die mogelijk sneller georganiseerd kunnen worden en op elkaar volgen, en mogelijk langer en meer verstorend zijn.
  • Vanwege een toenemende kritische externe blik leiden internationale samenwerkingen mogelijk (eerder) tot demonstraties of reputatieschade.
  • De toegang tot en integriteit van onze (opgeslagen) data wordt mogelijk bedreigd met impact op zowel ons toonaangevend onderzoek als academische vrijheid. 
  • Uitingen en keuzes van individuele wetenschappers kunnen door maatschappelijke polarisatie snel uitgroeien tot een (reputatie-)risico voor het bestuur en de organisatie. Met hieraan gekoppelde spanningen in de organisatie.
  • Mogelijk neemt onveiligheid tijdens reis en verblijf toe voor zowel studenten en medewerkers.

Beheersmaatregelen:  

  • Het verbeteren van op bewustwording bij medewerkers en studenten, door hen te informeren over het herkennen van des- en misinformatie. 
  • Actieve monitoring en communicatie met factchecking waar gepast voor de universiteit. 
  • Aansluiten bij initiatieven zoals WetenschapVeilig en versterken van protocollen en ondersteuningssystemen voor het melden en aanpakken van incidenten en ondersteuning bieden aan betrokkenen.
  • Opgestelde richtlijnen voor demonstraties duidelijk communiceren en handhaven. Vroegtijdig in gesprek gaan met demonstranten en ruimte bieden voor vreedzaam protest, open en respectvolle discussies, om zo escalatie te voorkomen en wederzijds begrip te vergroten.
  • Blijven investeren in het testen en oefenen van de crisismanagementstructuur. 
  • Multidisciplinaire blik op internationale samenwerkingsverbanden. 
  • Verder inzetten op ondersteuning, (data-) soevereiniteit en informatieveiligheid. 
  • Verder opbouwen van het BCM-systeem.
  • De EUR is zich bewust van haar maatschappelijke functie en streeft altijd naar een open en gelijkwaardige dialoog met haar omgeving.

Environmental, Social & Governance (ESG)

Reputatie-, juridische-, en veiligheidsrisico’s

Dreigingsschets

Issues verbonden met ESG vormen een strategische dreiging voor universiteiten die bijvoorbeeld niet tijdig verduurzamen, niet voldoen aan (niet-financiële) rapportageverplichtingen of onvoldoende de sociale veiligheid waarborgen. Hierbij moet ook een balans gevonden worden tussen maatschappelijke verwachtingen, academische vrijheid en ondernemerschap. Voor de universiteit ontstaan verwachtingen van lokale stakeholders voor concrete bijdragen aan regionale vraagstukken. Er is noodzaak om onderwijs en onderzoek relevant te maken voor de lokale context en verantwoordelijkheid om bij te dragen aan sociale cohesie en economische transitie. Voor studenten is het noodzaak om voorbereid te worden op duurzaamheidsthema's en hun rol als veranderaars. Voor docenten ontstaat druk om curricula te herzien en duurzaamheid te integreren.

Risico: 

  • Mogelijk onvoldoende inzet van de EUR om te voldoen aan vereisten t.a.v. ESG-onderwerpen kan leiden tot reputatieschade en mogelijk juridisch-financiële impact;
  • Een mogelijke mismatch tussen het beleid van de EUR op ESG-onderwerpen en de perceptie of verwachtingen in de maatschappij en bij directe stakeholders kan leiden tot reputatieschade en protestacties. 

Beheersmaatregelen: 

De EUR Strategy 2030 beschrijft verschillende prioriteitsgebieden en concrete acties. Hieronder de beheersmaatregelen die de directe impact op de EUR beheersen. 

  • De EUR houdt klimaatdialogen om de duurzaamheidsstrategie van de EUR te informeren;
  • Duurzaamheid krijgt een vaste plek in alle opleidingen door bijvoorbeeld een verplichte basismodule;
  • Studenten worden actief betrokken bij actuele duurzaamheidsvraagstukken en werken samen met maatschappelijke partners.

Belangrijke controle-instrumenten: 

  • Jaarlijks duurzaamheidsrapportage die de komende periode wordt doorontwikkeld; 
  • Structurele maatschappelijke dialoog: minimaal één keer per jaar stakeholdersessie;
  • Aanpassing van de inkooptemplates en bijvoorbeeld controle sanctieverordening Russische betrokkenheid.

Internationaal Onderwijs en Onderzoek

Financiële en concurrentiepositierisico’s

Dreigingsschets: 

De EU heeft een uitgebreide agenda om Europa's concurrentiekracht te versterken, maar investeringen in onderwijsfinanciering en onafhankelijk onderzoek nemen in Nederland af. Maatschappelijke vraagstukken zijn vaak internationaal van aard, wat sterkere samenwerkingen tussen universiteiten vereist. Voor de organisatie ontstaan uitdagingen bij internationale mobiliteit door wet- en regelgeving, beperkte toegang tot internationale kennis en onderzoeksnetwerken, en verminderde competitiviteit bij internationale subsidies. 

Risico: 

Door wet- en regelgeving en verminderde investeringen verliest de EUR mogelijk versneld terrein aan universiteiten in landen met gunstiger regelgeving.

Beheersmaatregelen: 

  • Versterking van strategische allianties met kennisorganisaties in de regio en Europa, en zo intensivering van EU-contact en internationale agenda en een gerichte aanpak voor subsidies;
  • Gezamenlijke onderzoeksprojecten uitvoeren, uitwisseling van kennis.

Bedrijfsvoering IT

Cybersecurity en informatiebeveiliging, veiligheids-, en financiële risico’s

Dreigingsschets

In 2025 is sprake van een duidelijke toename van diverse digitale dreigingen. Staten nemen grotere risico’s en handelen minder terughoudend, wat ook de mogelijkheid vergroot dat landen die voorheen als betrouwbaar werden beschouwd, hun ondersteuning van onze data- en netwerkvoorzieningen beperken of heroverwegen. Mogelijk zijn ook verstoringen van vitale infrastructuur welke cascade-effecten kunnen hebben op het onderwijs. Daarnaast zien we een verharding binnen diverse activistische groeperingen, wat kan leiden tot een stijging in hacktivisme en ideologisch gemotiveerde cyberdreigingen. Mogelijk worden deze dreigingen versterkt door generatieve AI die aanvallen eenvoudiger en sneller schaalbaar maakt.

Risico’s: 

  • Door de huidige samenstelling en inrichting van de IT-omgeving binnen de EUR bestaat de kans dat onze digitale afhankelijkheid van derde partijen leidt tot verstoringen in onderwijs-, onderzoeks- en ondersteunende diensten wanneer deze leveranciers uitvallen of handelen buiten onze controle;
  • Universiteiten vormen door hun omvangrijke onderzoeksdata een aantrekkelijk doelwit voor zowel aan staten gelieerde actoren als cybercriminelen, waarbij de toenemende inzet van AI in traditionele aanvalsvormen (zoals datadiefstal en ransomware) de kans op succesvolle aanvallen vergroot. Dit kan leiden tot aanzienlijke financiële schade, verstoring van de organisatie en ernstige impact op studenten, medewerkers en onderzoekspartners;
  • Door de implementatie van het nieuwe bedrijfsvoeringssysteem, die in de eerste helft van 2026 van start gaat, bestaat het risico dat onvoorziene technische of organisatorische problemen optreden, waardoor processen binnen de bedrijfsvoering tijdelijk worden verstoord en de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening aan faculteiten en medewerkers wordt beïnvloed.

Beheersmaatregelen: 

  • Om het risico van digitale afhankelijkheid te beheersen, brengen we de belangrijkste afhankelijkheden in kaart en werken we aan het vergroten van de wendbaarheid van de organisatie;
  • Samen met de faculteiten en diensten is het doel aantoonbaar in control te zijn op volwassenheidsniveau 3  (EV5-programma) ten aanzien van een selectie van centrale en facultaire kernsystemen;
  • De Erasmus IT-afdeling heeft een ISO 27001certificaat en werkt volgens een continue PDCA-cyclus.  Door het structureel leren van digitale incidenten en het beheersen van kwetsbaarheden wordt de weerbaarheid van de universiteit tegen digitale dreigingen continu versterkt;
  • Gedurende het inventarisatieproces (met betrekking tot relevante IT- functionaliteiten) voor het nieuwe bedrijfsvoeringsysteem moet eveneens rekening worden gehouden met gepaste IT-beheersmaatregelen om veiligheidsrisico’s, op de verschillende IT-lagen (‘IT-layers’), te kunnen blijven monitoren en te adresseren;
  • Met het nieuwe IT-platform wordt een volgende stap gezet in de juiste en vereiste richting om de toenemende beveiligingsrisico’s te mitigeren. 

Belangrijke controlemomenten: 

  • Jaarlijkse cyber awareness e-learning met toets;
  • Halfjaarlijkse phishing simulatiecampagne met rapportage over deelname en klikratio;
  • Security by design audit voor alle nieuwe IT-projecten voor livegang.

Bedrijfsvoering IT

Supplychain Risk, IT-afhankelijkheid, cloud-leveranciers, financiële risico’s

Dreigingsschets: 

Kwaadwillenden richten zich steeds vaker op cloud-leveranciers en software-ketens om via één centrale schakel toegang te krijgen tot de gegevens en systemen van meerdere organisaties. 

Risico:

Door de toenemende afhankelijkheid van cloud-leveranciers bestaat het risico dat gevoelige data extra wordt blootgesteld en de organisatie kwetsbaarder wordt voor supply-chain-aanvallen, terwijl de soms beperkte mogelijkheid om verdacht of kwaadwillend verkeer binnen deze omgevingen te monitoren de impact van dergelijke aanvallen verder vergroot.

Beheersmaatregelen: 

  • De EUR voert een gestructureerd vendor risk managementproces uit met EUR-specifieke securitykaders, actieve leveranciersrelaties en doorlopende monitoring voor grip op ketenrisico’s;
  • Daarnaast is vooruitgang geboekt op het gebied van Endpoint detection & response en wordt gewerkt aan de implementatie van data loss prevention-oplossingen binnen de universiteit;

Belangrijke controlemomenten:

  • Jaarlijkse onafhankelijke IT-audit bij leveranciers (third-party assurance report,  Service Organization Control  2);
  • Cloudrisico-assessment bij nieuwe diensten vóór contracteren
  • Maandelijkse monitoringsrapportages over endpoint security

Human Resources

Personeel en welzijnsrisico’s

Dreigingsschets

Er is nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt in Nederland. Talent uit het buitenland is om verschillende redenen niet altijd een optie. Bovendien moet hier rekening gehouden worden met de financiële situatie van de EUR. Door invloeden vanuit de bezuinigingen, AI en nieuwe systemen (Oracle & Payroll) is het noodzakelijk dat de EUR meebeweegt. De effecten van het recente beleid met betrekking tot Diversity & Inclusion kunnen bedreigd worden en de aandacht daarvoor kan verslappen.

Risico: 

  • Door hoge werkdruk als gevolg van onder meer krapte op de arbeidsmarkt, reorganisaties, ongedekte kosten, governance, ontwikkelingen vanuit AI op functies, vaardigheden en manier van werken worden door onvoldoende verandercapaciteit mogelijk te laat vertaald in de organisatie. Dit beïnvloedt welzijn, uitstroom, verzuim en het behalen van organisatiedoelen; 
  • Sommige groepen (mensen met tijdelijke contracten, nieuwe medewerkers) kunnen disproportioneel geraakt worden in reorganisaties. Een negatief bijeffect hiervan kan zijn dat de diversiteit in het personeelsbestand afneemt, terwijl we dit de laatste jaren juist verhoogden.

Beheersmaatregelen: 

  • Doorlopend in kaart brengen van toekomstige personeelsuitdagingen via een strategische planning en een aantrekkelijke werkgever zijn door positieve arbeidsvoorwaarden, het bieden van carrièremogelijkheden en een veilige werkomgeving; 
  • Verdere implementatie van het systeem van erkennen en waarderen van academici om talenten de ruimte te geven en zo hoge onderwijsstandaarden te waarborgen, excellentie in onderzoek te bevorderen, impact op de samenleving te vergroten en inclusief leiderschap te stimuleren; 
  • Een centraal gecoördineerde PDCA-cyclus met welzijnsmonitor; 
  • Doorontwikkeling van het leiderschapsprogramma en verplicht stellen van trainingen voor leidinggevenden, monitoren van het percentage deelnemers;
  • Door organisatieontwikkeling expliciet als aandachtsgebied op te nemen en dat te ontwikkelen bij HR, HR businesspartners en EUR op centraal niveau kan worden ingespeeld op dit risico. Middelen moeten beschikbaar zijn voor reorganisaties en begeleiding hierbij is cruciaal voor een veranderproces; 
  • Het AI@EUR-integratieplan door de hele organisatie oppakken, waarbij ook de mens en HR-afdeling een grote rol hebben; 
  • De invoering van nieuwe systemen, onlangs uitgesteld, wordt verder voorbereid waardoor risico’s kunnen worden geadresseerd en waar mogelijk weggenomen.

Belangrijke controle-instrumenten: 

  • Jaarlijks of tweejaarlijks een medewerker-tevredenheidsonderzoek met specifieke focus op werkdruk en centrale monitoring van het verbeterplan; 
  • Instellen van werkdrukindicatoren per faculteit/dienst en centrale monitoring, evenals indicatoren voor sociale en psychologische veiligheid. 


Onderwijskwaliteit

Kwaliteitsrisico’s

Dreigingsschets: Zie bovenstaand bij Human Resources.

Risico:

Door hoge werkdruk als gevolg van onder meer krapte op de arbeidsmarkt en reorganisaties, bestaat het het risico op het niet kunnen voldoen aan (interne) kwaliteitsnormen op het gebied van onderwijs, onderzoek en de algemene taakstelling.

Beheersmaatregelen:

  • Door organisatieontwikkeling expliciet als aandachtsgebied op te nemen en hierop te ontwikkelen bij HR, HR businesspartners en EUR centraal kan worden ingespeeld op dit risico. Middelen beschikbaar maken voor reorganisaties en begeleiding hierbij is cruciaal voor een veranderproces;
  • De invoering van nieuwe systemen, onlangs uitgesteld, wordt verder voorbereid waardoor risico’s kunnen worden geadresseerd en waar mogelijk weggenomen.

Interne Diensten

Kwaliteits- en bedrijfsvoeringsrisico’s

Dreigingsschets

Een hoge werkdruk door volume aan werkzaamheden, complexe regelgeving, veel vergaderstructuren, beperkte personele capaciteit en een sterke afhankelijkheid van sleutelpersonen, zorgt voor uitdagingen bij het handhaven van de kwaliteit van de ondersteunende basisdiensten. De EUR staat voor de opgave om de levering van de diensten doorlopend te beoordelen, prioriteren en aan te passen.

Risico’s:

  • Werkdruk en opeenhoping van taken met als mogelijk gevolg (een toename van)burn-outklachten; verloop van ervaren medewerkers en verlies van kennis; medewerkers die door drukte hun signaalfunctie en de connecties die daarvoor nodig zijn verliezen; 
  • Druk op sleutelfiguren kan leiden tot kwetsbaarheid bij personeelswisselingen, met als gevolg continuïteits- en kwaliteitsverlies in ondersteuning en projectuitvoering; 
  • Afhankelijkheid van sleutelfiguren kan leiden tot monopolie van kennis of macht gevende specialisatie

Beheersmaatregelen

  • Capaciteitsplanning: jaarlijks werkdrukonderzoek en capaciteit en prioritering hierop afstemmen, taken en portefeuilleverdeling kritisch herijken en waar mogelijk schrappen of automatiseren; 
  • Werken met jaar- en meerjarenplannen met duidelijke strategische prioriteiten, in combinatie met periodieke afstemming van de dienstverlening en primair proces(faculteiten) en op basis hiervan het aanpassen van de product-dienstcatalogus en het formuleren van servicenormen; 
  • Ruimte maken in de werkverdeling voor strategische bestuursactiviteiten en ruimte voor strategische verkenningen of toekomstscenario’s; 
  • Cultuur en structuur van de EUR opnieuw vormgeven, door bijvoorbeeld tijdige vervanging bij ziekte/verlof en ruimte voor tijdelijke inhuur; coaching en mentale ondersteuning beschikbaar stellen; e-mail- of vergaderbeleid buiten werkuren ontmoedigen.

Governance en leiderschap

Bedrijfsvoering risico

Dreigingsschets

De nieuwe Strategy 2030 wordt geïmplementeerd, Daarbij bestaat het gevaar dat interpretaties uiteenlopen. Organisatiebesturing, samenwerking tussen diensten en faculteiten, de hoeveelheid initiatieven, afstemming van de EUR-strategie op de strategie van de organisatieonderdelen, onvoldoende integrale opdrachtformulering en verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de EUR kunnen zorgen voor een mismatch.

Risico:

Door zich te veel te richten op operationele taken, ad-hoc vragen of interne processen kunnen bestuurders onvoldoende toekomen aan strategie en dus aan de implementatie van de nieuwe Strategy 2030. Daardoor mist de organisatie mogelijk richting, pro-activiteit en aansluiting bij lange termijnontwikkelingen.

Beheersmaatregelen:

  • Ruimte maken in de werkverdeling voor strategisch gerichte bestuursactiviteiten en ruimte voor strategische verkenningen of toekomstscenario’s; 
  • Werken met jaar- en meerjarenplannen met duidelijke strategische prioriteiten; 
  • Structurele interactie tussen het CvB en de decanen met halfjaarlijkse evaluatie van de voortgang van de strategie-uitvoering; 
  • Uitvoeren van het EUR-leiderschapsprogramma.

Integrale veiligheid

Sociale veiligheidsrisico’s

Dreigingsschets

Sociale Veiligheid gaat over het beschermd zijn en voelen tegen dreigend handelen van iemand binnen de organisatie. De grootte van de organisatie maakt dat casuïstiek tussen wal-en-schip kan vallen. De diverse risicofactoren rondom sociale veiligheid zijn in kaart gebracht in het KNAW-rapport ‘Sociale veiligheid in de Nederlandse wetenschap’ (2021). Er wordt een grote toename van het aantal meldingen over zorgwekkend gedrag waargenomen: van 59.599 in 2014 naar 149.827 in 2024 (Bron: Triage en risicotaxatie - Grip op Onbegrip).

Risico’s:

  • Vanwege landelijke trends is het mogelijk dat onbegrepen gedrag binnen de EUR ook toeneemt met mogelijke direct gerelateerde incidenten ten gevolg, welke psychologische en/of fysieke impact kunnen hebben; 
  • Er is vanuit beleving van studenten en medewerkers onvoldoende zicht op veiligheid en veiligheidsgevoel, dit leidt mogelijk tot een situatie waarin de hulp onvoldoende aansluit op de daadwerkelijke gevoelens en behoefte en waardoor preventie en mitigatie niet effectief zijn.

Beheersmaatregelen:

De werkgever moet randvoorwaarden scheppen om sociale veiligheid te waarborgen. Dit vraagt om een brede aanpak en genoemde mitigatie is deel van een systematische aanpak die altijd in ontwikkeling is.

  • Voor de hoofdcategorieën uit het KNAW- rapport bestaat een aanpak; 
  • Voor zorgwekkend of onbegrepen gedrag is in 2025 een aanpak vastgesteld; 
  • Door Safe@EUR wordt onder meer regie voor complexe casuïstiek ontwikkeld; 
  • Inzicht in veiligheid en veiligheidsgevoel kan uit rapportages van meldingen worden verkregen, maar dit gebeurt nog onvoldoende. Overwogen wordt het bevragen van studenten en medewerkers.

Privacy

Risico’s voor privacy en persoonsgegevens, risico’s voor onderzoek en onderwijs

Dreigingsschets

Digitalisering van onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering van de EUR blijven zich ontwikkelen. Dat leidt tot toenemende kansen op fouten bij de verwerking van persoonsgegevens en de impact. Ontwikkelingen op het gebied van AI beïnvloeden de kans op inbreuk op privacy. Verantwoord gebruik van AI bij het leer- en onderzoeksproces binnen de EUR staat hoog op de agenda. Hieronder worden slechts enkele van deze punten behandeld, aangezien AI impact door verschillende risico thema’s heen loopt en per onderwerp meegewogen is. 

Voor studenten ontstaan uitdagingen rondom de validiteit van toetsing door AI-tools en beperkte voorbereiding op technologische vaardigheden die de arbeidsmarkt vraagt. Voor docenten betekent dit de noodzaak tot herontwerp van toetsing en scholing in nieuwe technologieën, wat de werkdruk verhoogt. Bij onderwijs en onderzoek komt de betrouwbaarheid van diploma's en academische integriteit onder druk te staan.

Risico’s:

  • Onvoldoende (proactief) kunnen tonen, aantonen en uitdragen dat privacy en bescherming van persoonsgegevens bij de EUR goed wordt geborgd. Dat leidt tot bestuurlijke boetes en civiele aansprakelijkheden en tot een afname van het vertrouwen dat in de EUR wordt gesteld; 
  • Geopolitieke veranderingen kunnen democratische idealen, fundamentele rechten zoals privacy en soevereiniteit aantasten; 
  • AI kan de privacy ernstig bedreigen. Dat kan gebeuren bij toelatingen, studieresultaten en fraudeopsporing. De impact voor personen kan groot zijn.

Beheersmaatregelen:

  • De EUR is een meerjarig Privacy Programma gestart om privacy-compliance daarvan structureel op een hoger niveau te brengen en aan te tonen; 
  • Het verder verbeteren van informatievoorziening naar betrokkenen; 
  • Bij het selecteren en configureren van applicaties wordt ervoor gekozen om persoonsgegevens zoveel mogelijk binnen de EER op te slaan en verwerken. Als verdere internationale doorgifte toch noodzakelijk is, worden aanvullende maatregelen getroffen; 
  • Het steeds beter borgen van Privacy by Design en by Default; 
  • Voor ontwikkeling en gebruik van nieuwe AI-systemen wordt een zorgvuldige toets uitgevoerd op naleving van de AVG, in samenhang met de AI-verordening en andere toepasselijke regelgeving; 
  • Algoritmeregister en andere maatregelen om governance en compliance op het snijvlak van AI en privacy structureel te borgen, zoals implementatie van AI-gedragscode, verplichte plagiaatcontrole, en een opleidingsmodule AI-ethiek.

Onderzoek en Onderwijs

Risico’s voor onderzoek en onderwijs ontwikkeling

Dreigingsschets:

De samenleving wordt steeds digitaler en dat leidt tot meer verbondenheid maar ook tot vervreemding en informatie-overbelasting. De opkomst van AI roept nieuwe ethische, juridische en maatschappelijke vragen op, specifiek als het gaat om onderwijs en onderzoek. Voor studenten ontstaan uitdagingen rondom de validiteit van toetsing door AI-tools en beperkte voorbereiding op technologische vaardigheden die de arbeidsmarkt vraagt. Voor docenten betekent dit de noodzaak tot herontwerp van toetsing en scholing in nieuwe technologieën. Voor onderwijs en onderzoek komt de betrouwbaarheid van diploma's en academische integriteit onder druk te staan. 

Daarnaast is er een groeiende behoefte aan continu leren en zelfontplooiing in de samenleving. De arbeidsmarkt vraagt om continue bijscholing en flexibel onderwijsaanbod dat de huidige structuren overstijgt. Dit omvat de ontwikkeling van kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de grote mondiale transities.

Risico:

Onvoldoende (tijdig) inspelen op technologische ontwikkelingen en het veranderende gebruik van informatie kan leiden tot vermindering van kwaliteit(-sbeleving) van onderzoek en onderwijs.

Beheersmaatregelen:

  • EUR helpt bij de verantwoorde ontwikkeling van (digitale) technologieën en denkt mee over ethische, economische en maatschappelijke impact; 
  • Integratie van digitale technieken en AI voor toekomstgericht onderwijs; 
  • Het ondersteunen van docenten door middel van passende tools, training en begeleiding; 
  • Digitaal platform wordt gerealiseerd om het aanbod samenhangend te leveren; 
  • Leven Lang Leren-aanbod wordt uitgebreid; 
  • Ontwikkeling van flexibele leertrajecten in samenwerking met bedrijven, beleidsmakers en andere gemeenschappen; 
  • Onderwijs wordt aangeboden in collegezalen, volledig digitaal of een combinatie (hybride). Dat biedt kansen om het aanbod innovatief te verbreden en verdiepen.

Vastgoed en facilitair

Project- en financiële risico’s

Dreigingsschets

Veranderende trends in het gebruik van onderwijs- en kantoorruimtes. De komende jaren investeert de EUR fors in vastgoed op de campus, vooral in het Tinbergen gebouw. Om de financiering van de investeringen op orde te krijgen, wordt geld geleend.Omvang, timing en rentepercentage van de lening(en) en het tempo van de uitvoering zijn onzeker. In het allocatiemodel van de EUR is hiervoor een budget beschikbaar, maar de verwachting is dat deze onvoldoende zal zijn. Daarbij komen de onzekere ontwikkelingen in studentenaantallen en kostenontwikkeling in de bouwbranche (zowel personeel als materieel) in combinatie met onzekerheid over de continuïteit van inkomsten.

Risico’s:

  • Schommelingen van het aantal studenten, online-onderwijs en hybride werken kunnen leiden tot een veranderde behoefte aan huisvesting met het risico op niet optimale verhouding tussen vraag en aanbod en onnodig hogere kosten of gemiste besparingen;
  • Onzekerheid over prijzen en te geringe beschikbaarheid van materialen en diensten hebben direct effect op alle vastgoed-gerelateerde activiteiten; 
  • Gebrek aan of te late verankering van duurzaamheid in de huisvesting zorgt voor nog onzekere (extra)investeringen.

Beheersmaatregelen:

  • Huisvestingsbehoefte wordt in kaart gebracht als onderdeel van de lopende investeringsprogramma’s(bijvoorbeeld als onderdeel van CiO III/IV), zodat tijdig adequate maatregelen kunnen worden getroffen; 
  • Prijsontwikkelingen worden gevolgd en maatregelen worden getroffen waar dat mogelijk of nodig is. Als onderdeel van de investeringsprogramma’s wordt de indexatie consistent doorgerekend voor de verschillende (vastgoed)projecten en voorzien van een verwachte financiële impact waarop kan worden bijgestuurd; 
  • Frequentere prognoses waarin de verwachte effecten worden doorgerekend op de (middel-)lange termijn van de liquiditeitspositie van de EUR worden gemaakt; 
  • De EUR neemt maatregelen om stappen te zetten in de verduurzaming van de gebouwen en terreinen. Ze zijn zichtbaar in de investeringen in (bestaande) gebouwen en terreinen in eigendom van de EUR en zijn een onderdeel van het strategisch huisvestingsplan ‘Campus in Ontwikkeling’.

Belangrijke controle momenten:

  • Halfjaarlijkse actualisatie huisvestingsplan;
  • Verduurzaming: jaarlijkse CO2-reductierapportage campus;
  • Maandelijkse voortgangsrapportage investeringsprojecten richting projectboard.
  • Tussentijds rapporteren over de meest actuele ontwikkelingen, zodat besluiten kunnen worden herzien als dat nodig is. 

Kennisveiligheid

Kennisveiligheidsrisico’s

Dreigingsschets

Het dreigingsbeeld voor kennisveiligheid in Nederland is complex en omvat buitenlandse inmenging, spionage en ongewenste kennis- of technologieoverdracht, met name door statelijke actoren. Een uitdaging is een balans te vinden tussen open wetenschap en de noodzaak om gevoelige kennis te beschermen.

Risico’s:

  • Mogelijk ongewenste overdracht van (sensitieve) kennis, met negatieve gevolgen voor de nationale veiligheid en aantasting van de Nederlandse innovatiekracht; 
  • Mogelijk succesvolle heimelijke beïnvloeding van ons onderwijs en onderzoek door statelijke actoren, met als gevolg (zelf)censuur, waarmee de academische vrijheid wordt aangetast; 
  • Mogelijk ethische kwesties die samenhangen bij samenwerking met personen/instellingen met een negatieve impact op (de reputatie van) EUR.

Beheersmaatregelen:

  • De EUR hanteert een breed gedragen beleid- en afwegingskader kennisveiligheid, waaraan potentiële internationale samenwerkingen getoetst dienen te worden. - Intern overzicht met potentieel risicovolle samenwerkingen, waarvoor mitigatieplannen worden opgesteld; 
  • Jaarlijks meerdere bijeenkomsten met alle relevante stakeholders om het genoemde beleid en uitvoer ervan te borgen; 
  • In het kader van verantwoordelijkheid, eigenaarschap en efficiëntie is EUR van plan om de toetsing effectiever te maken en een eigen tool te ontwikkelen met daaraan gekoppeld een gecategoriseerd risicoprofiel en een gestandaardiseerd handelingsperspectief.

Naleving treasury-statuut

Het treasury-statuut schept een kader waarbinnen de treasury-activiteiten van de EUR dienen plaats te vinden. Het gaat daarbij om de beleidsmatige vaststelling van de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten voor de uitvoering van de treasury-functie. Daarnaast heeft het treasury-statuut tot doel om de administratieve organisatie en interne controle weer te geven met betrekking tot de treasury-activiteiten. Zo worden de financiële middelen van de EUR efficiënt en effectief beheerd.

In het treasury-statuut zijn de verantwoordelijkheidsgebieden van de treasury-functie vastgelegd. Die functie heeft primair tot doel het beheersen van financiële risico’s en omvat binnen de EUR de volgende verantwoordelijkheidsgebieden: 

  • Liquiditeitenmanagement: de zorg voor de tijdige beschikbaarheid van de benodigde geldmiddelen op zowel korte, middellange en lange termijn, tegen acceptabele condities (beschikbaarheid); 
  • Management renterisico: de optimalisatie van het rendement van overtollige liquide middelen binnen de kaders van het treasury-statuut (renteoptimalisatie); 
  • Externe financiering: het aantrekken van vreemd vermogen en het minimaliseren van de kosten van leningen(kostenminimalisatie); 
  • Financiering: het, in het kader van het uitvoeren van de wettelijke taak, verstrekken van leningen, subsidies en zekerheidstellingen aan verbonden partijen en aan niet-geconsolideerde instellingen en het daarbij minimaliseren van financieel risico (risicominimalisatie); 
  • Onderhouden bankrelaties: het onderhouden van relaties met financiële instellingen met het oog op beschikbaarheid van financiële middelen en optimale condities (bankrelaties).  

Het treasury-statuut voldoet aan de ‘Regeling beleggen, lenen en derivaten’ van het Ministerie van OC&W (2016). De transacties in 2025 zijn in lijn met het treasury-statuut van onze universiteit. De EUR maakt gebruik van schatkistbankieren, waarbij de overtollige liquiditeiten bij het Ministerie van Financiën worden beheerd.  

De universiteit heeft geen beleggingen

Verantwoording declaraties bestuursleden 2025

Conform de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) artikel 4 lid 3 zijn de vergoedingen aan en declaraties van bestuurders in 2025 verantwoord in onderstaande tabel. Bedragen zijn in euro’s.

tabel 13

  prof. dr. H. Brinksma prof.dr.ir. A.J. Schuit dr. E.M.A. van Schoten RA prof.dr. A.L. Bredenoord
Onkostenvergoeding   8220 8220 8220
Reiskosten binnenland 11 10617 15358 23073
Reiskosten buitenland   340 1321 5822
Overige kosten   295 12248 4430
  11 19472 37148 41545

Beleidsregel Investeren met publieke middelen in private activiteiten

In deze paragraaf wordt verantwoording afgelegd over de verschillende soorten private activiteiten die de EUR uitvoerde in 2025. De private activiteiten van verbonden partijen en van FGG worden separaat verantwoord.

De private activiteiten van de EUR zijn gericht op het maken van een positieve maatschappelijke impact. Investeren met publieke middelen in private activiteiten gebeurt alleen wanneer de investering meerwaarde heeft voor de wettelijke taak van de universiteit. De EUR wil voorkomen dat publieke middelen weglekken naar het private domein en/of dat er op een oneerlijke manier geconcurreerd wordt met derden. Om dit te voorkomen is een integraalkostenmodel ontwikkeld dat EUR-breed als leidraad wordt gebruikt bij vraagstukken omtrent investeringen met publieke middelen in private activiteiten.

Contractonderwijs

Bijna alle niet-bekostigde onderwijsactiviteiten van de EUR worden uitgevoerd door de verbonden partijen, hoofzakelijk binnen werkmaatschappijen van EUR Holding B.V. en bij RSM B.V. Binnen de faculteiten en diensten van de EUR vinden private onderwijsactiviteiten slechts op beperkte schaal plaats. In 2025 bedroegen de totale baten hiervan € 3,0 miljoen. 

Een groot deel van dit bedrag heeft betrekking op het Language en Training Centre (LTC), waarbinnen allerlei (taal)cursussen gegeven worden die in eerste instantie gericht zijn op studenten en medewerkers van de EUR, maar ook voor derden toegankelijk zijn. Door het aanbieden van (taal)cursussen worden studenten en medewerkers van de EUR in staat gesteld om een (hoogwaardige en positieve) bijdrage te leveren aan het bekostigde onderwijs en onderzoek van de EUR, en ook aan de rest van de samenleving. Het LTC realiseerde over kalenderjaar 2025 een bedrag van € 1,3 miljoen aan baten en behaalde een positief resultaat van € 0,5 miljoen. Daarmee is het LTC kostendekkend. 

Het LTC is ingebed binnen de centrale organisatie van de EUR en valt onder de verantwoordelijkheid van de directie Education & Student Affairs. De dagelijkse aansturing vindt plaats door de directeur van het LTC. Het LTC handelt conform het EUR-brede risicomanagementbeleid en volgt de (interne) richtlijnen ten aanzien van rechtmatigheid. Binnen het LTC vindt de financiële- en juridische toetsing plaats in samenwerking met de afdelingen Corporate Planning & Control en Juridische Zaken. 

Het overige contractonderwijs (in totaal € 1,7 miljoen) bestaat uit allerlei onderwijsactiviteiten, waarvan de meeste geldstromen kleiner zijn dan € 50.000. Voor deze activiteiten hanteren faculteiten en diensten – mede gelet op de administratieve lasten – momenteel geen volledig gescheiden administratie. Hierdoor is het op dit moment niet mogelijk om nauwkeurig vast te stellen in hoeverre deze activiteiten kostendekkend zijn. Momenteel wordt verder onderzocht hoe in het nieuwe bedrijfsvoeringsysteem van de EUR een beter onderscheid gemaakt kan worden tussen publieke en private activiteiten en hoe het rendement van private activiteiten beter inzichtelijk kan worden gemaakt.  

Voor het contractonderwijs dat binnen de faculteit of dienst aangeboden wordt, geldt dat respectievelijk de decaan of dienstdirecteur hiervoor verantwoordelijk is. De risico’s in dit kader hebben onder meer betrekking op kwaliteitsbewaking, afstemming met het reguliere onderwijs en naleving van regelgeving omtrent mededinging en bekostiging. Beheersmaatregelen worden onder andere genomen via het nieuwe bedrijfsvoeringsysteem, centrale en decentrale contractcontroles (zogenoemde FLAT-checks) en interne toetsingsmomenten binnen de planning & control-cyclus. Daarnaast is het EUR-reglement Geschillencollege Niet-Initieel Onderwijs 2023 van toepassing op het contractonderwijs van de universiteit, waarin bijvoorbeeld uitgewerkt wordt hoe de EUR omgaat met geschillen. 

Volledigheidshalve merken we op dat het onderwijs van International Institute of Social Studies (ISS) € 1,4 miljoen aan baten realiseerde. ISS is een instituut van de EUR dat wereldwijd onderwijs en onderzoek verzorgt. Het onderwijs van ISS omvat bijvoorbeeld een tweetal geaccrediteerde masters, welke hoofdzakelijk gericht zijn op studenten uit landen met lage inkomens. ISS ontvangt onder meer via het Ministerie van Buitenlandse Zaken financiering voor de uitvoering van haar onderwijs (en onderzoek). De financiering vanuit dat ministerie loopt via de rijksbijdrage van de EUR en wordt door de EUR direct doorgestort naar ISS. Daarom ziet de EUR het onderwijs van ISS als onderdeel van haar wettelijke taak.

Contractonderzoek

Binnen de EUR worden onderzoeksprojecten uitgevoerd voor onder meer overheidsinstanties en het bedrijfsleven. De uitkomsten van deze onderzoeksprojecten zijn doorgaans voor een breed publiek toegankelijk. Op deze manier draagt de EUR (academische) kennis over aan de maatschappij. De EUR beschouwt deze onderzoeksactiviteiten dan ook als meerwaarde voor haar valorisatie-opdracht. Echter, vanuit het Ministerie van OCW bestaat nog onduidelijkheid over de publieke taak van de universiteit versus de private taak. Het ministerie had eerder aangekondigd hier in 2025 een apart onderzoek voor uit te laten voeren. In afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de EUR ook in 2025 onderzoeksprojecten uitgevoerd die van maatschappelijk belang zijn, mits deze pasten binnen de bestaande kaders van de universiteit. Het aangekondigde onderzoek is in 2025 niet uitgevoerd, de onduidelijkheden zijn dan ook niet weggenomen.

In de projectadministratie wordt vastgelegd of een project een publiek of privaat karakter heeft. Op basis van een interne analyse blijkt dat slechts een beperkt deel van de onderzoeksprojecten moet worden aangemerkt als private activiteiten. Het gaat hier om een bedrag van circa € 4,9 miljoen aan baten. De baten uit contractonderzoek vloeien terug naar de universiteit om bijvoorbeeld vervolgonderzoek te kunnen uitvoeren. Het positieve resultaat uit privaat contractonderzoek bedroeg in 2025 circa € 0,5 miljoen (op basis van de afgesloten onderzoeksprojecten). 

Het conceptbeleid van de EUR schrijft voor dat tenminste de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht bij privaat contractonderzoek, zodat het risico op het weglekken van publieke middelen beperkt blijft en oneerlijke concurrentie vermeden wordt. Bij de bepaling van de integrale kostprijs wordt ook een risico-opslag gehanteerd. 

Contractonderzoek is juridisch en organisatorisch ingebed binnen de reguliere onderzoeksstructuur van de EUR. Voor contractonderzoek dat binnen de faculteit uitgevoerd wordt, geldt dat de decaan eindverantwoordelijk is. De projectleider is operationeel verantwoordelijk en ziet toe op de inhoudelijke uitvoering en budgetbewaking. De risico’s binnen contractonderzoek hebben vooral betrekking op reputatie, onafhankelijkheid, integriteit en financiële haalbaarheid. Deze risico’s worden beheerst via verschillende maatregelen, waaronder:

  • Sectorale gedragscodes, zoals de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit;
  • Intern beleid met betrekking tot intellectueel eigendom, publicatierechten en omgang met opdrachtgevers;
  • de FLAT-check procedure, waarbij overeenkomsten worden getoetst op juridische-, financiële- en integriteitsrisico’s.

Verhuur

De totale opbrengsten uit verhuur bedroegen in 2025 ruim € 8,6 miljoen, inclusief de opbrengsten uit de parkeergarage en de doorbelasting van servicekosten aan de huurders. Een aanzienlijk deel van deze opbrengsten (€ 5,6 miljoen) is afkomstig uit verhuur aan organisaties die gelieerd zijn aan de EUR. Door huisvesting aan te bieden aan verbonden partijen ondersteunt de EUR onder meer initiatieven op het gebied van Leven Lang Ontwikkelen (LLO), ondernemerschap en valorisatie. De EUR en haar verbonden partijen leveren zo een positieve bijdrage aan de maatschappij.

Het overige deel van de verhuuropbrengsten (€ 3,0 miljoen) betreft voornamelijk verhuur aan commerciële partijen (exploitanten). De verhuur aan exploitanten heeft meerwaarde door bij te dragen aan de levendigheid van de campus en versterkt de sociale cohesie. Daarnaast ontstaan op deze manier mogelijkheden voor samenwerking en kruisbestuiving met externe partners. 

De verhuurtarieven van de EUR dekken de integrale kostprijs. Ook de servicekosten worden integraal doorbelast. Op deze wijze wordt, in lijn met de beleidsregel, geborgd dat er geen publieke middelen wegvloeien naar het private domein. De dienst Real Estate & Facilities (RE&F) is verantwoordelijk voor het volledige verhuurproces, inclusief tariefstelling en contractbeheer. De risico’s die samenhangen met verhuuractiviteiten betreffen onder meer aansprakelijkheid, veiligheid en reputatie. Ter beheersing hiervan hanteert de EUR:

  • Het Ordereglement gebouwen, terreinen en voorzieningen 2024, waarin de kaders voor gebruik en verhuur zijn vastgelegd;
  • Standaardhuurovereenkomsten en algemene voorwaarden, waarin expliciete afspraken zijn opgenomen over aansprakelijkheid bijvoorbeeld;
  • Een actieve monitoring van het verhuurproces en het gebruik van de campusvoorzieningen, zodat eventuele knelpunten tijdig gesignaleerd en opgelost kunnen worden;
  • De FLAT-check procedure, waarbij overeenkomsten worden getoetst op onder meer juridische- en financiële risico’s.

Detachering

De EUR detacheert haar medewerkers in bepaalde gevallen aan haar verbonden partijen en in mindere mate ook aan andere universiteiten en overige partijen. Detacheringen dragen bij aan (de kwaliteit van) de wettelijke taken van de EUR en hebben meerwaarde, omdat medewerkers hun expertise verrijken door tijdelijke inzet in een andere omgeving en zij de opgedane kennis terugbrengen naar de organisatie. Bovendien versterken detacheringen het academische en professionele netwerk van medewerkers en bevorderen zij de wisselwerking tussen theorie en praktijk. Hoewel de inhoud en doelstellingen per detachering kunnen verschillen, geldt in algemene zin dat detacheringen uitsluitend plaatsvinden in het verlengde van de publieke taak van de EUR.Hiermee wordt rechtgedaan aan de kaders uit de beleidsregel.

In 2025 bedroegen de private opbrengsten uit detachering € 5,3 miljoen. Een aanzienlijk deel van deze opbrengsten (€ 3,3 miljoen) betreft detacheringen vanuit faculteiten naar verbonden partijen van de EUR. Het resterende deel (€ 1,9 miljoen) had betrekking op detacheringen naar derden. De EUR brengt in de regel minimaal de integrale kostprijs in rekening bij detacheringen. Indien een marktconform tarief lager is, dan zou deze in rekening gebracht mogen worden.

Detacheringen worden formeel vastgelegd in een detacheringsovereenkomst met de ontvangende partij. De leidinggevende van de medewerker beoordeelt de inhoud en het doel van de detachering, waarna formele goedkeuring volgt door de decaan of dienstdirecteur. De diensten Human Resources (HR) en Juridische Zaken (JZ) ondersteunen bij de totstandkoming van detacheringen (denk aan het afstemmen van arbeidsvoorwaarden en het opstellen van overeenkomsten).

In 2025 zijn de standaard detacheringsovereenkomsten geactualiseerd, mede op basis van de eisen uit de beleidsregel. Bij de herziening is onder meer aandacht besteed aan risico’s op het gebied van arbeidsvoorwaarden, belangenverstrengeling en reputatie. Door gebruik te maken van gestandaardiseerde juridische documenten en de nauwe betrokkenheid van HR en JZ, wordt geborgd dat deze risico’s adequaat worden beheerst.

Valorisatie

De EUR ziet haar valorisatie-activiteiten, conform artikel 1.3 van de WHW, als onderdeel van haar wettelijke taken en daarmee ook als publieke activiteiten. Echter wordt hier voor 2025 wel apart verantwoording over afgelegd. Dit gebeurt vanwege de onduidelijkheid rondom welke valorisatie-activiteiten wel of niet als privaat aangemerkt moeten worden én met het oog op transparante verantwoording.

De baten van de valorisatie-activiteiten van de EUR bedragen circa € 1,7 miljoen, de exacte omvang hangt af van hoe breed het begrip valorisatie geïnterpreteerd wordt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om baten die voortkomen uit samenwerkingsverbanden. De Convergence en Cultuur&Campus zijn mooie voorbeelden van samenwerkingsverbanden die een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Een ander voorbeeld van een waardevolle valorisatie-activiteit is het faciliteren van wetenschappelijke congressen. Deze congressen zijn doorgaans voor een breed publiek toegankelijk en worden zonder winstoogmerk georganiseerd. Het uitwisselen van(wetenschappelijke) kennis staat hierbij centraal. Aangezien de EUR dergelijke activiteiten als publieke activiteiten ziet, worden de voorwaarden uit de beleidsregel niet altijd in acht genomen. Het is onzeker of in alle gevallen de integrale kostprijs of een marktconform tarief doorbelast wordt.

De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren en beheersen van valorisatie-activiteiten ligt primair bij de faculteiten en diensten waar de activiteiten plaatsvinden. De decaan of dienstdirecteur is dan ook eindverantwoordelijk. Vanuit verschillende ondersteunende diensten worden juridische, financiële en organisatorische risico’s getoetst en beheerst.Bovendien houdt het College van Bestuur (CvB) via tussentijdse rapportages, audits en bestuurlijke overleggen toezicht op de naleving en effectiviteit van bestaand beleid.

Overige activteiten

Onder overige activiteiten vallen met name dienstverlening aan verbonden partijen en overige diensten die sterk verband houden met de wettelijke taken van de EUR en daardoor vanwege de meerwaarde deze taken uitvoeren. De totale baten uit overige activiteiten bedroegen in 2025 circa € 5,5 miljoen. Het resultaat van deze diensten wordt verrekend in het publieke eigen vermogen van de EUR. Op basis van een deelwaarneming is vastgesteld dat de EUR deze activiteiten de integrale kosten dekkend uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat publieke middelen wegvloeien naar het private domein en/of dat er oneerlijke concurrentie plaatsvindt.

De eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering en beheersing van deze activiteiten ligt bij de decaan of dienstdirecteur van de betrokken faculteit of dienst. Zij zorgen ervoor dat de activiteiten passen binnen het publieke kader en in overeenstemming zijn met intern beleid en externe regelgeving. Ondersteunende diensten, zoals Juridische Zaken, Concern Control en Inkoop, toetsen op relevante juridische-, financiële- en organisatorische risico’s.

Het CvB houdt toezicht op de uitvoering en beheersing van deze activiteiten via tussentijdse rapportages, audits en bestuurlijke overleggen. Op die manier wordt de naleving van de beleidskaders structureel gemonitord en wordt waar nodig bijgestuurd.

Tot slot

Hieronder een totaaloverzicht van de bedragen die behoren tot de verschillende soorten private activiteiten die binnen de EUR uitgevoerd zijn in 2025.

tabel 14

Private activiteiten Totale baten private activiteiten Kosten Investering publieke middelen
       
Contract onderwijs M € 3,0 M € 3,0 M € 3,0
Contract onderzoek M € 2,4 M € 2,1 M € 2,1
Verhuur M € 8,6 M € 9,8 M € 9,8
Detachering M € 5,3 M € 5,3 M € 5,3
Valorisatie M € 1,7 Onbekend Onbekend
Overige activiteiten M € 5,5 M € 5,5 M € 5,5

Hieronder ter vergelijking de gegevens uit 2024.

tabel 15

Private activiteiten Totale baten private activiteiten Kosten Investering publieke middelen
       
Contractonderwijs M€ 3,0 M€ 3,0 M€ 0
Contractonderzoek M€ 4,1 M€ 3,7 +/+ M€ 0,4
Verhuur M€ 9,6 M€ 9,4 +/+ M€ 0,2
Detachering M€ 4,9 M€ 4,9 M€ -
Valorisatie M€ 1,2 Onbekend Onbekend
Overige activiteiten M€ 5,0 M€ 5,0 M€ -

Een deel van de verhuur vindt plaats in gebouwen die in de toekomst gesloopt gaan worden. Voor deze panden wordt afgeweken van de integrale kostprijs, gezien de staat van de gebouwen.

Verbonden partijen

Hieronder wordt verantwoording afgelegd over de private activiteiten die in 2025 uitgevoerd zijn binnen de entiteiten die gelieerd zijn aan de EUR. 

Stichting Erasmus Sport

Stichting Erasmus Sport draagt namens de EUR bij aan het welzijn van studenten en medewerkers door allerlei sportvoorzieningen en -activiteiten aan te bieden. Hiermee wordt als meerwaarde een inspirerende leer- en werkomgeving gecreëerd voor zowel studenten als medewerkers. De EUR schaart deze activiteiten onder haar wettelijke taak, wat betekent dat volgens de beleidsregel hier in principe geen verantwoording over afgelegd hoeft te worden. Echter, de EUR kiest er om redenen van transparantie voor om dit wel te doen. 

De totale baten over 2025 bedroegen € 4,9 miljoen tegenover € 4,8 miljoen aan lasten. Het resultaat over het kalenderjaar 2025 bedraagt € 0,1 miljoen positief. Stichting Erasmus Sport heeft van de EUR een bijdrage ontvangen van € 1,6 miljoen. 

Stichting Erasmus Sport is verantwoordelijk voor de exploitatie van het sportgebouw op de campus van de EUR. De stichting opereert als zelfstandige organisatie met een eigen bestuur. In de statuten van de stichting is vastgelegd dat bestuursleden benoemd moeten worden door het CvB van de EUR. Daarmee wordt formele betrokkenheid vanuit de universiteit geborgd, zonder dat er sprake is van direct toezicht. Voor een wijziging van de statuten heeft de stichting goedkeuring nodig van het CvB van de EUR. Conform de gemaakte afspraken wordt er periodiek gerapporteerd en vindt er periodiek bestuurlijk overleg plaats tussen de EUR en Stichting Erasmus Sport.

De EUR beheerst de risico’s binnen Erasmus Sport door een duidelijke governance- en rapportagestructuur en verschillende financiële en juridische controlemechanismen.

Erasmus Enterprise BV

De EUR voert verschillende valorisatie-activiteiten uit via Erasmus Enterprise BV (EE). Zo stimuleert EE ondernemerschap onder studenten en medewerkers van de EUR. Verder helpt EE studenten en medewerkers bij het vertalen van kennis (opgedaan bij de uitvoering van onderwijs en onderzoek) naar concrete producten en diensten. EE creëert een infrastructuur/ecosysteem waarin startups (opgericht door studenten en medewerkers van de EUR) toegang hebben tot middelen, netwerken en expertises. Zo wordt kennis efficiënt omgezet in tastbare producten en diensten. Door academici, studenten en derden samen te brengen, worden kennisuitwisseling en co-creatie gestimuleerd en dat is een kernaspect van valorisatie en ondersteunt de publieke taak van de EUR.

De activiteiten van EE kunnen als valorisatie worden gezien, omdat zij (zonder marktverstoring, aangezien publieke middelen worden ingezet voor de publieke valorisatietaak) academische kennis verbinden met praktische toepassingen die maatschappelijke waarde creëren. Hiermee vallen de activiteiten van EE onder de wettelijke taak van de EUR.

De totale baten over 2025 bedroegen € 4,8 miljoen tegenover € 4,8 miljoen aan lasten. Het resultaat over het kalenderjaar 2025 bedraagt € 0,0. EE BV heeft een bedrag van € 2,1 miljoen ontvangen van de EUR. 

De statutaire directeur van Erasmus Enterprise B.V. is verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing. Binnen de context van EE zijn de belangrijkste risico's vooral financieel, juridisch en strategisch van aard. De EUR beheerst de risico’s binnen EE een duidelijke governance- en rapportagestructuur en verschillende financiële en juridische controlemechanismen.

EUR Holding BV

Onder de paraplu van EUR Holding BV (waarvan de EUR volledig aandeelhouder is) opereren verschillende werkmaatschappijen die zich vooral bezighouden met postacademisch onderwijs, onderzoek in opdracht van derden en het verlenen van consultancydiensten. 

In de Raad van Commissarissen (RvC) is de EUR vertegenwoordigd door één lid van het CvB.

Werkmaatschappijen van de Holding zijn inhoudelijk gelieerd aan een eenheid (meestal faculteit) van de EUR. Deze verbondenheid is vastgelegd in een bestuursconvenant tussen de betreffende werkmaatschappij en de eenheid/faculteit. Elk convenant is een nadere uitwerking van het document ‘Beheersorganisatie EUR Holding & Werkmaatschappijen’ waarin de structuur is vastgelegd tussen de aandeelhouder, RvC , de directie van EUR Holding en de directies van de werkmaatschappijen.

In deze convenanten is voorzien in toezicht, waarbij iedere vennootschap een raad van commissarissen kent met daarin onder andere een vertegenwoordiger van de verbonden eenheid/faculteit die toeziet op waarborging van de belangen van de gelieerde eenheid/faculteit. De directie van de Holding ziet toe op financiële continuïteit (waarbij de door de EUR voorgeschreven Planning & Control-cyclus periodieke rapportages en begrotingen worden aangeleverd vanuit de werkmaatschappijen), naleving van wet- en regelgeving en de strategische samenhang tussen de activiteiten van de werkmaatschappijen en de doelstellingen van de EUR.

De activiteiten binnen EUR Holding zijn gerelateerd aan de kernactiviteiten van de EUR. Zij volgen hierbij de strategie van de EUR en haar faculteiten. De meerwaarde voor de EUR betreft het vergroten van de academische en maatschappelijke relevante uitstraling van de EUR als totaliteit. Daarnaast wordt bij de faculteiten de mogelijkheden onder aandacht gebracht tot stimuleren en koesteren van ondernemerschap binnen de EUR in zijn algemeenheid. 

Door EUR Holding en haar werkmaatschappijen zijn de belangrijkste risico’s en beheersmaatregelen in kaart gebracht en vastgelegd. De resulterende overzichten vormen de leidraad voor periodieke besprekingen tussen de directies en de raden van de commissarissen van de vennootschappen.

De totale baten in 2025 van de Holding bedroegen € 48,1 miljoen tegenover € 47,3 miljoen aan lasten. Het resultaat over het kalenderjaar bedroeg € 0,8 miljoen. In 2025 behaalde de holding een netto-omzet van € 33,8 miljoen waarvan € 3,2 miljoen aan rijksbijdragen en € 30,1 miljoen uit baten onderzoek, contractonderwijs en overige activiteiten. 

RSM BV

RSM BV biedt vooral executive- en postacademisch onderwijs aan. In 2025 genereerden de activiteiten van RSM BV een netto-omzet van € 24,8 miljoen. De totale lasten bedroegen € 25,3 miljoen De investering met publieke middelen bedraagt € 1,6 miljoen.

De aangeboden programma’s zijn in lijn met de missie en het merk van de faculteit RSM van de EUR. RSM BV. werkt nauw samen met de faculteit om haar aanbod, beleid en processen waar mogelijk af te stemmen op die van de RSM-EUR, maar onderscheidt zich op het gebied van financiering en directie. Bij detachering van docenten wordt de faculteit de integrale kostprijs in rekening gebracht bij RSM BV. De huur die RSM BV betaalt aan de EUR dekt de kosten en is vastgesteld conform het verhuurbeleid bij de EUR. Om de scheiding tussen publieke en private geldstromen te waarborgen, blijft RSM BV haar transferprijzen herzien, service level agreements gebruiken en bijwerken.

In samenwerking met de faculteit zet RSM BV zich in voor een proactieve benadering van de ontwikkelingen rondom de politieke debatten met betrekking tot de globalisering en de toegevoegde waarde van universiteiten en businessschools voor de EUR in het algemeen en RSM in het bijzonder.

De statutaire directeuren zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing. De risico’s zijn vooral financieel, juridisch en strategisch van aard. De Erasmus Universiteit beheerst de risico’s binnen RSM BV door een duidelijke governance- en rapportagestructuur en verschillende financiële en juridische controlemechanismen. In 2025 heeft RSM B.V. € 770.000 interim-dividend ontvangen van EUR Holding, via de EUR,  conform het aandeelhoudersbesluit d.d. 27 november 2024.

FGG/Erasmus MC

De faculteit FGG is organisatorisch ingebed in het EMC. Toebedeling van publieke middelen gebeurt volgens het reguliere allocatiemodel van de EUR conform de overige faculteiten. Het EMC hanteert een gescheiden boekhouding voor de facultaire activiteiten en die zijn dus gescheiden van de zorgactiviteiten. De publieke middelen die de EUR toebedeelt aan EMC zijn uitsluitend bedoeld voor de publieke taak. In dit kader heeft Erasmus MC een holding binnen de consolidatiekring met een separate Zorg-holding en een Onderwijs & Onderzoek Holding. Voor detachering van facultair personeel naar de Holding gelden uniforme afspraken, waarbij zowel de directe kosten als overhead worden doorberekenend. 

Notitie Helderheid

De notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het onderwijs’ uit 2003 en de aanvullende notitie uit 2004 zijn bedoeld om de bekostigde universiteiten en hogescholen helderheid te verschaffen over de interpretatie en toepassing van bestaande bekostigingsregels voor de tellingen van de bekostigingsparameters van 1 oktober 2023 en volgende jaren. Deze notities gaan over negen thema’s.

Uiteenzetting van de thema’s, toegespitst op de situatie bij EUR ultimo 2025

1. Uitbesteding van onderwijs

Binnen de EUR is sprake van bekostigd onderwijs door faculteiten in samenwerking met verbonden partijen van de universiteit (private organisaties). Tegenover het geleverde onderwijs staat een vergoeding. Dit gaat om zowel initiële bachelor- en masteropleidingen als post-initiële masteropleidingen. 

De Faculteit Erasmus School of Economics (ESE) besteedt een beperkt deel van het curriculum uit aan FEI BV. Dit betreft specifieke onderwerpen. De faculteit blijft verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit. FEI BV brengt hiervoor kosten in rekening. 

De Faculteit Erasmus School of Philosophy (ESPhil) besteedt een beperkt deel van het curricula uit aan Dutch Research Institiute for Transitions (DRIFT) B.V. 

2. Investeren in publieke middelen in private activiteiten

Dit thema is vervallen. 

3. Verlenen van vrijstellingen

De EUR verleent geen vrijstellingen aan studenten louter voor het aantrekken van studenten en het daarmee verhogen van de Rijksbijdrage, zonder dat hiertegenover een gerede vorm van inspanning stond. Die inspanning dient te zijn vastgesteld door de Examencommissie. 

4. Bekostiging van buitenlandse studenten

Alleen studenten van wie de NAW-gegevens bekend zijn bij de EUR en voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden tellen mee voor de bekostiging. 

5. Collegegeld niet betaald door de student zelf en studentenondersteuningsfonds

De EUR betaalt geen collegegelden voor studenten. De regelingen van het Profileringsfonds voorzien in financiële compensatie voor studievertraging als gevolg van persoonlijke omstandigheden, in bestuursbeurzen en in fee waivers (kwijtschelding van kosten). In bijlage 8 van het jaarverslag zijn de (vereiste) gegevens opgenomen voor het studentenondersteuningsfonds, voorheen profileringsfonds.

6. Studenten volgen modules van opleidingen

Het is mogelijk als niet-student modules of delen van opleidingen te volgen. Dit wordt aanschuif- of contractonderwijs genoemd. Er kunnen één of meerdere losse vakken worden gevolgd, waarbij de deelnemer zich niet inschrijft als student maar als cursist. 

7. Student een andere opleiding laten volgen waarvoor hij is ingeschreven

Is niet van toepassing. Studenten volgen aan de EUR de opleidingen waarvoor zij staan ingeschreven. 

8. Bekostiging van maatwerktrajecten

Betreffende het initiële onderwijs zijn er geen maatwerktrajecten met bedrijven en andere organisaties afgesloten. 

9. Bekostiging van het kunstonderwijs

De EUR heeft met Codarts Rotterdam een Double Degree programma RASL (Rotterdam Arts and Sciences Lab). De studenten staan ingeschreven aan beide instellingen, maar worden bekostigd door Codarts en niet door de EUR. 

10. Registreren van voor de bekostiging mee te tellen studenten

De EUR registreert een student die voldoet aan alle inschrijvingsvoorwaarden en waarbij tevens aan alle bekostigingsvoorwaarden is voldaan als bekostigd student in BRONHO, de basisregistratie van studenten in het hoger onderwijs. Een met goed gevolg afgelegd examen wordt eveneens als bekostigd geregistreerd in BRONHO als aan alle bekostigingsvoorwaarden is voldaan.

Verantwoording van bestuursakkoordmiddelen

Startersbeurzen

De beurzen worden door de faculteiten toegekend aan beurshouders op basis van faculteitsplannen en -beleid. Eind 2024 is het grootste deel van de startersbeurzen toegekend. Het aantal toegekende Startersbeurzen nam in 2025 toe naar 252. De besteding van de beurzen is verdubbeld ten opzichte van vorig jaar. De beurzen zijn besteed aan ondersteuning voor ongebonden onderzoek en verlaging van werkdruk: personeel voor onderzoek of -ondersteuning voor ongebonden onderzoek (70%), vergroting van de onderzoekstijd van de onderzoeker (19%) en onderzoeksfaciliteiten (11%).

Aantal beurzen en realisatie naar HOOP gebieden.

tabel 16

  Actieve beurzen 2025 Man Vrouw Realisatie 2025 M€
         
Gezondheid 99 52 47 2,3
Economie 74 46 28 3,2
Recht 22 10 12 0,8
Gedrag&Maatschappij 53 14 39 2,4
Diversen 4 1 3 0,1
Totaal 252 123 129 8,9

Enkele faculteiten hebben middelen van stimuleringsbeurzen ingezet als startersbeurzen, omdat het budget ontoereikend was voor de uitvoering van het facultaire beleid. De beurzen zijn nagenoeg volledig toegekend. Volgens de plannen worden de middelen in de komende jaren volledig besteed.

Stimuleringsbeurzen

Het aantal toegekende stimuleringsbeurzen nam in 2025 toe naar 144. 

De besteding van de beurzen nam toe met 65%. De beurzen zijn ook hier besteed aan ondersteuning voor ongebonden onderzoek en verlaging van werkdruk. Dit betreft onderzoeksfaciliteiten (46%), personeel voor onderzoek of ondersteuning voor ongebonden onderzoek (31%) en vergroting van de onderzoekstijd van de onderzoeker (23%).

tabel 17

  Actieve beurzen 2025 Man Vrouw Realisatie 2025 M€
         
Gezondheid 30 14 16 0,4
Economie 38 25 13 1,7
Recht 23 13 10 0,4
Gedrag&Maatschappij 50 22 28 1,2
Diversen 3 2 1 0,2
Totaal 144 76 68 4,0

De beurzen zijn nagenoeg volledig toegekend. Volgens de plannen worden de middelen in de komende jaren volledig besteed.

Verwerking overhead

In voorgaande jaren heeft de EUR het overheadpercentage met betrekking tot de starters- en stimuleringsbeurzen op 20% van de ontvangen middelen gemaximeerd en in het resultaat verwerkt. Doordat er vanaf 2025 geen nieuwe middelen meer ontvangen zijn, is er in 2025 geen overhead verwerkt.

Voor een inhoudelijke toelichting op de starters- en stimuleringsbeurzen, zie hoofdstuk 1: Toonaangevend academisch onderwijs en onderzoek.

Sectorplannen SSH

De midterm reviews van de sectorplannen zijn momenteel in afronding. De resultaten en aanbevelingen uit deze reviews worden in 2026 verwacht.

Ten opzichte van budget SSH/DSW is er onderbesteding van € 0,5 miljoen, met name door lagere personeelskosten en door minder uitgaven van materiële aard. 

tabel 18

Sectorplan SSH/DSW *M€ Budget M€ Realisatie M€ Realisatie vs budget M€
       
ESE 1,4 1,5 0,1
ESL 1,1 1,0 -0,1
ESSB 4,0 3,8 -0,2
RSM 1,6 1,6 0,0
ESPhil 0,7 0,5 -0,3
ESHCC 1,7 1,7 0,0
Totaal 10,6 10,1 -0,5

Sectorplan Medisch

De besteding van sectorplan medisch is € 0,2 miljoen hoger dan jaarbudget. Deze middelen zijn besteed vanuit de gereserveerde budgetten uit eerdere jaren. 

De inhoudelijke verantwoording hierover wordt gedaan aan de koepel van universitair medische centra, UMCNL.

tabel 19

Sectorplan Medisch *M€ Budget M€ Realisatie M€ Realisatie vs budget M€
       
ESHPM 0,7 0,8 0,2
EMC 5,9 5,9 0,0
Totaal 6,5 6,7 0,2

Bestuursakkoordmiddelen Hoger Onderwijs en Wetenschap

In het Bestuursakkoord (2022) is bepaald dat de studievoorschotmiddelen (voorheen Kwaliteitsafspraken/HoKa) met ingang van 2025 structureel aan de lumpsumbekostiging van de instellingen worden toegevoegd. Dit jaar heeft de EUR € 23 miljoen ontvangen vanuit deze Bestuursakkoordmiddelen. Twee derde deel van de middelen wordt rechtstreeks toegekend aan de faculteiten (€ 15 miljoen) terwijl een derde (€ 8,2 miljoen) bestemd is voor strategische en interfacultaire thema’s die belangen van de gehele EUR dienen.

Inzet facultaire middelen

De faculteiten hebben in 2025 de middelen ingezet op een mix van thema’s die strategisch zijn en constructive allignment betreffen. Hierbij is een mix van innovatie en borging van innovatie en verbetering aanwezig. Daarmee worden de middelen soms ingezet om de bestaande (basis)kwaliteit in tijden van bezuiniging te behouden (waaronder tutoren, mentoren en kleinschalig onderwijs) en om de randvoorwaardelijke aspecten van hoogwaardig onderwijs, waaronder docentontwikkeling en toetsing, te verbeteren.

De gerealiseerde besteding van reguliere middelen bij faculteiten is lager dan het budget (€ 14,1 miljoen ten opzichte van € 14,8 miljoen). Voor het niet bestede deel zijn plannen opgesteld voor besteding in 2026. 

Inzet middelen bestuursakkoord centraal

In 2025 werd ingezet op de realisatie/implementatie van instellingsbrede strategische thema’s, programma’s en initiatieven: CLI, Slimmer Academisch Jaar, Erasmus Connects en Student Wellbeing. Er was daarvoor € 8,2 beschikbaar en daarvan werd € 6,4 besteed. De onderbesteding is met name veroorzaakt doordat pas later in het jaar bestedingsdoelen van het Slimmer Academisch Jaar zijn vastgesteld. Er werd € 0,5 miljoen meer besteed aan student wellbeing officers, Room app en activiteiten van centrale (voormalige) HoKa-programma’s. Ook is extra budget voor compensatie van loon-en prijsstijgingen ontvangen De extra activiteiten worden uit de HoKa reserve gefinancierd (deze middelen zijn niet als BAO-budget verdeeld). 

tabel 20

Centrale middelen BAO Budget *k€ Realisatie *k€ Realisatie vs Budget
       
CLI 3,7 3,6 0,1
SAJ (aan faculteiten) 3,3 1,4 -1,9
ITK (aan faculteiten) 0,3 0,3 0,0
Erasmus Connects 0,1 0,1 0,0
Welbeing 0,4 1,0 0,6
AZ 0,1 0,1 0,0
Centraal 0,5 0,0 -0,5
Totaal 8,2 6,4 -1,9

Sinds 2019 worden de (gemeenschappelijke) HoKa-middelen ingezet om de Community for Learning & Innovation (CLI) te financieren. De financiering van CLI wordt met de inzet van deze middelen voorgezet. Binnen CLI is vanaf januari 2025 jaar de onderwijskundige expertise op het gebied van impact en AI in onderwijs ondergebracht. De inzet van middelen voor het EUR-brede programma Student Wellbeing (SW) is een aanvulling op de middelen die het SW-programma uit het Bestuursakkoord al geoormerkt ontvangt. Ook hiermee wordt de lijn, die is ingezet in de HoKa periode, verder voortgezet. In 2025 heeft het programma SW deze middelen ingezet op versterken van de ‘sense of belonging’, preventie en praktische hulp, vergroten van kennis en kunde binnen de EUR en externe samenwerkingen.