Spring naar inhoud

Financiën

Inleiding

De financiële context waarbinnen de Erasmus Universiteit (EUR) opereert wordt al enige jaren gekenmerkt door toenemende studentenaantallen en noodzakelijke vernieuwingen op het gebied van vastgoed en duurzaamheid. Ook vraagt de verdere digitalisering in onderwijs en onderzoek inmiddels van alle disciplines aanzienlijke investeringen. Dat is ook de reden dat de afgelopen jaren de financiële druk toenam. Op langere termijn is het nog steeds een uitdaging om de werkdruk op orde te houden, de EUR financieel gezond te houden, en tegelijk aan alle kwaliteits- en duurzaamheidseisen te blijven voldoen. Daar bovenop was 2021 wederom een bijzonder jaar vanwege de COVID-19-pandemie en de daaruit voortkomende maatregelen en uitdagingen. In de continuïteitsparagraaf wordt nader op de uitdagingen op de langere termijn ingegaan.

De jaarrekening 2021 toont een forse positieve afwijking ten opzichte van de begroting en ten opzichte van de realisatie vorig jaar. Dit resultaat kent een aantal incidentele oorzaken, zoals de effecten van COVID. Daarnaast wordt dit resultaat veroorzaakt door een aantal structurele kenmerken van de financiële dynamiek in het hoger onderwijs en vooral bij de universiteiten. De Erasmus Universiteit kent hier, als jonge universiteit, een unieke positie in. 

In de afgelopen decennia zijn er verschillende onderzoeken geweest naar de bekostiging van de universiteiten. De conclusies zijn iedere keer vergelijkbaar. De allocatie van budget is niet gebaseerd op de kosten die nodig zijn om de opleidingen te kunnen verzorgen of vrij en ongebonden onderzoek te kunnen verrichten. Doordat het aantal studenten hard is gegroeid is (alleen) het variabele deel van de bekostiging toegenomen en het bedrag per student gedaald. De Erasmus Universiteit, en met name de overige jonge universiteiten (Maastricht en Tilburg), kennen een lage vaste voet. De reden hiervan is niet bekend, wel is vastgesteld dat het logisch lijkt hierin een correctie aan te brengen. In de huidige situatie betekent dit voor de EUR dat de bekostiging per student aantoonbaar lager is dan die van de overige universiteiten. In combinatie met de groei in aantallen studenten leidt dit ertoe dat de werkdruk toe- en de tijd om vrij en ongebonden onderzoek te doen afneemt.

Dat de EUR desondanks een positief resultaat laat zien is vooral het gevolg van twee kenmerken. Ten eerste is de universitaire sector conservatief als het gaat om het uitgeven van geld. Er wordt actie ondernemen als bekend is dat budget ook daadwerkelijk beschikbaar komt. Dit is op zich een goede eigenschap, wanneer je het echter combineert met het tweede kenmerk leidt het tot het financiële resultaat zoals dat nu wordt gerapporteerd. Het belangrijkste ‘middel’ om het werk mee te doen is voor de universiteit kwalitatief goede medewerkers. Die zijn de academische wereld al lastig te vinden en in de huidige marktsituatie helemaal. Omdat het moeilijk is om personeel te werven, wordt er tijdelijk personeel ingehuurd. Dit leidt ertoe dat projecten, waar budget voor gereserveerd is, over het algemeen later opstarten met een onderbesteding tot gevolg. Er wordt wel ingehuurd, maar daarmee kan slechts tijdelijk een probleem worden opgelost. Bovendien kan dat over het algemeen alleen kwalitatief goed in de ondersteunende functies en niet binnen de wetenschappelijke staf. De werkdruk neemt dan ook nog toe. Een deel van het budget heeft een incidenteel karakter. Dit weerhoudt de faculteiten ervan om personeel structureel aan te stellen.

Het financieel resultaat kan gelezen worden als een signaal dat budget niet of niet goed besteed wordt. Het is echter een gevolg van een structurele onderfinanciering. Financiële behoedzaamheid en een traditioneel moeilijke arbeidsmarkt, die in de huidige situatie alleen maar krapper is geworden, leiden tot onderbesteding. Dit kan alleen worden opgelost door de financiering van de sector op peil te brengen, zoals ook is onderkend in het huidige Regeerakkoord.

Financiële positie

Analyse resultaat 2021

Het geconsolideerde nettoresultaat, of wel het resultaat na aftrek van het ‘resultaat aandeel derden’[1] ad € 16,0 miljoen, bedraagt € - 2,6 miljoen. Dit resultaat is € 28,1 miljoen hoger ten opzichte van de begroting.

Het resultaat wordt in belangrijke mate veroorzaakt door onderstaande incidentele baten en lasten.


[1] Betreft hier het resultaat dat is gerealiseerd met de O&O-activiteiten van het Erasmus MC. Conform de verslaggevingsregels worden alleen de baten en lasten van de O&O-activiteiten meegeconsolideerd in de jaarrekening van de EUR. Het resultaat dat wordt gerealiseerd met de O&O-activiteiten is bestemd voor het EMC, vandaar dat dit bedrag in de exploitatierekening uiteindelijk in minder wordt gebracht op het totale resultaat.

tabel 6.1

Geconsolideerd resultaat 2021 -2,6
Extra middelen NPO -3
Onderbesteding HoKa -2,9
Vertraging investeringen huisvesting -2,6
Vertraging investeringen IT -3,3
Lagere huisvestingslasten agv COVID -4,8
Lagere overige lasten agv COVID -5,52
Onderbesteding strategische programma's -6,2
Dotatie vakantiedagen -1,6
Gecorrigeerd resultaat 2021 -32,5
Verschillende kleinere afwijkingen bij de faculteiten en diensten -1,8
Begroot geconsolideerd resultaat -30,7

Na aftrek van de hierboven genoemde incidentele baten en lasten bedraagt het genormaliseerd resultaat € 32,5 miljoen negatief. Het verschil ten opzichte van de begroting bedraagt € 1,8 miljoen. Dit wordt met name veroorzaakt door een onderbesteding op uitvoering van programma’s (€ 6,2 miljoen), mede als gevolg van schaarste aan personeel op arbeidsmarkt. Naar de toekomst toe zal de monitoring op voortgang van de uitvoering van de programma’s verder aangescherpt worden om dit soort omvangrijke onderbestedingen te voorkomen c.q. tijdig(er) te signaleren.

Vergelijking met begroting 2021

BATEN ten opzichte van de begroting

  • Een stijging van de Rijksbijdrage van bijna € 25 miljoen komt onder andere door de compensatie in de stijging van de studentenaantallen, het loon- en prijspeil vanuit OCW, extra NPO-middelen € 15,8 miljoen en compensatie voor de halvering van het collegegeld door OCW € 9,4 miljoen.
  • De collegegelden zijn € 8,1 miljoen lager dan geraamd. De oorzaak is het kabinetsbesluit om het collegegeld voor eerstejaars studenten te halveren. 
  • De baten ‘Werk in opdracht van derden’ komen € 4,7 miljoen hoger uit. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door meer middelen voor projecten van ministeries en gemeentes dan begroot.
  • De overige baten komen € 1,4 miljoen lager uit.

LASTEN ten opzichte van de begroting

  • De personeelslasten zijn €8,2 miljoen hoger dan begroot. De oorzaak is een toename van personeel niet in loondienst, welke € 8,4 miljoen hoger zijn dan geraamd en zijn het gevolg van het moeilijk kunnen invullen van vacatures. De personeelslasten van het eigen personeel zijn € 0,2 miljoen lager dan begroot.
  • De huisvestingslasten vallen € 4,8 miljoen lager uit. De verwachting dat er vanwege COVID-19 minder internationale studenten zouden komen, kwam niet uit. Hierdoor zijn de kosten voor leegstand lager dan begroot. Daarnaast vielen de schoonmaak- en beveiligingskosten lager uit door de sluiting van de campus tijdens de lockdowns.
  • De afschrijvingslasten, op vaste activa en digitalisering vallen € 3,3 miljoen lager uit. Voornaamste oorzaak is uitstel van projecten. Door vertraging van de Campus in Ontwikkeling (CiO) zijn de afschrijvingslasten € 1,6 miljoen lager. Uitstel van het datacenter zorgt voor € 1,0 miljoen lagere afschrijvingslasten.
    De totale afschrijvingen zijn inclusief de afschrijvingslasten van het Erasmus MC.
  • De overige lasten zijn in totaal € 18,4 miljoen lager. Door de pandemie zijn er minder materiele kosten gemaakt. Deze daling is zichtbaar bij onder meer de reis –en verblijfskosten bij verschillende organisatieonderdelen.
  • Het resultaat ‘Aandeel van derden’ is € 16,0 miljoen, dat is € 14 miljoen hoger dan begroot. Dit betreft het resultaat van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van het Erasmus MC, € 16 miljoen. De extra middelen vanuit NPO en NWO hebben een positief effect van € 3,0 miljoen op het resultaat. € 2,0 miljoen wordt verklaard door hogere royalty opbrengsten. Hogere projectopbrengsten dragen voor € 2,0 miljoen bij aan de resultaatverbetering. De verkoop een deel van de aandelen van Harbour Biomed is voor € 5,8 miljoen verwerkt in het resultaat.

Vergelijking met realisatie 2020

Het resultaat van de EUR is in 2021 € 40,4 miljoen gestegen naar € 13,4 miljoen (2020: € - 27,0 miljoen). De toename van het resultaat wordt veroorzaakt door een stijging van de Rijksbijdrage van € 43,4 miljoen. Daarnaast is een toename in de baten ‘Werk in opdracht van derden’ en ‘Overige baten’ van € 26,1 miljoen. Daartegenover staan hogere totale lasten van € 29,6 miljoen.

BATEN ten opzichte van de realisatie 2020

  • De Rijksbijdrage steeg in 2021 € 43,4 miljoen door een toename van de NPO-middelen van € 28,8 miljoen. Ook is de compensatie van de halvering van het collegegeld, € 9,4 miljoen verantwoord onder de Rijksbijdrage in 2021.
  • In 2021 bleef het negatieve COVID-19 effect voor de overige baten uit. Er zijn uitgestelde en doorgeschoven projecten die in 2021 zijn gestart of uitgevoerd.

LASTEN ten opzichte van de realisatie 2020

  • De Personeelslasten eigen personeel zijn in 2021 gestegen met € 26,5 miljoen naar € 492,8 miljoen (2020: € 466,3 miljoen). De stijging wordt mede veroorzaakt door de nieuwe CAO. Die leidt tot een structurele loonstijging van 1,65% vanaf 1 juli 2021. Daarnaast zijn er uitgestelde projecten waarvoor in 2021 personeel is aangesteld voor de uitwerking.

Het resultaat ‘Aandeel van derden’ betreft het resultaat van de O&O-activiteiten van het Erasmus MC. Dit resultaat laat een significante verbetering zien van € 22,6 miljoen naar € 16,0 miljoen (2020: € -6,6 miljoen).

tabel 6.2 Vergelijking 2020 en 2021 baten

Kengetallen in M€ Rekening 2020 Rekening 2021 Verschil
Rijksbijdrage 325,80 369,20 43,40
Overige overheidsbijdragen en subsidies 0,00 0,00 0,00
Collegegelden 66,70 63,06 -3,64
Baten werk i.o.v. derden 190,35 205,90 15,55
Overige baten 103,30 113,84 10,54
Totaal baten 686,15 752,00 65,85

Balans en kasstromen

De balans is in 2021 met € 11,3 miljoen toegenomen naar € 417,4 miljoen (2020: € 406,1 miljoen).

ACTIVA ten opzichte van de realisatie 2020

  • De materiële vast activa groeide door een toename van investeringen op de campus.
  • Deze investeringen hebben ook effect op de liquide middelen van de EUR. Hierdoor wordt de aankomende jaren een daling van de liquide middelen verwacht. De liquiditeitspositie van de EUR blijft positief.

PASSIVA ten opzichte van de realisatie 2020

  • Het geconsolideerde eigen vermogen in 2021 is € 2,7 miljoen lager dan 2020. Ten opzichte van 2020 is er een verschuiving binnen te reserves. De bestemmingsreserve is gedaald met € 73,3 miljoen. Dit verschil is te verklaren door de vrijval van het deel dat is ontstaan bij de overdracht van de panden vanuit het ministerie van OC&W. De budgetten zijn in de begroting geborgd, waardoor het CvB heeft besloten om de bestemde reserve voor dit deel vrij te laten vallen. Deze vrijval is toegevoegd aan de algemene reserve.
  • De kortlopende schulden namen in 2021 toe met € 12,5 miljoen. De nog niet besteedde NPO-middelen zijn voor € 4,5 miljoen opgenomen onder de kortlopende schulden. € 0,7 miljoen is te verklaren door de nog niet besteedde subsidies voor ‘extra handen in de klas’ en ‘coronabanen’. Daarnaast is een toename bij crediteuren (€2,8 miljoen) en vakantiegeld en vakantiedagen (€2,5 miljoen). Voor de uitkering aan universiteiten op basis van de gehonoreerde bestedingsvoorstellen in opdracht van de Stichting Platform Digitale Infrastructuur SSH is € 2,8 miljoen uitgekeerd.

Ontwikkeling solvabiliteit

De solvabiliteit (eigen vermogen vermeerderd met de voorzieningen gedeeld door het balanstotaal) komt uit op 58,1% (2020: 60,0%) en voldoet ruimschoots aan de norm die is opgelegd door de Inspectie van het Onderwijs (≥30%).

De solvabiliteit van de EUR neemt af door de significante toename van de kortlopende schulden in verhouding tot de mutatie in het eigen vermogen. De toename van de kortlopende schulden is in belangrijke mate te relateren aan NPO-middelen die ultimo 2021 nog niet besteed zijn.

Ontwikkeling liquiditeit

De liquiditeit daalde in 2021 van 1,03 naar 0,85, maar voldoet desondanks aan de (nieuwe) norm die is opgelegd door de inspectie (0,75). De afname van de liquiditeit is met name te relateren aan de toename van de kortlopende schulden in verhouding tot de mutatie in de vorderingen. De absolute omvang van de liquide middelen laat met € 110,5 miljoen een gunstig beeld zien.

Het meerjarenperspectief (zie continuïteitsparagraaf) laat daarentegen, mede als gevolg van het (geplande) negatieve resultaat in 2022 en de geplande omvangrijke investeringen, zien dat de EUR in de komende jaren naar verwachting onder de aangepaste signaalwaarde van 0,75 eindigt. Intern hanteert de EUR een signaleringswaarde van 0,5. Het bestaande beleid dat de EUR hanteert op financieel gebied is aantoonbaar passend, consistent en betrouwbaar, iets wat onderschreven wordt door haar externe stakeholders waaronder de onderwijsinspectie. De EUR kiest er dan ook voor het huidige beleid te continueren en gaat uit van de oude signaleringsgrens van 0,50. Daarmee ziet de EUR af van maatregelen om de ratio op een niveau richting de nieuwe signaleringsgrens van 0,75 te brengen, zoals verhogen van het resultaat of aantrekken van extra bancaire financiering. Deze keuze is onder meer gemaakt omdat dergelijke maatregelen ten koste gaan van beschikbare gelden voor het primair proces. Daarnaast is een hoger eigen vermogen zowel bedrijfseconomisch als maatschappelijk niet wenselijk en niet in lijn met het beleid van OCW ten aanzien van de vermogensontwikkeling bij universiteiten

De onderwijsinspectie heeft de reden voor de verhoging van de liquiditeitsratio inhoudelijk niet toegelicht. In Universiteiten van Nederland verband is, op grond van dezelfde inhoudelijke argumentatie die de EUR hanteert, aan de inspectie voorgelegd om te komen tot een categorie zeer groot waaronder alle UNL universiteiten vallen waarbij de liquiditeitsratio weer teruggebracht wordt op 0,5. De Inspectie heeft deze suggestie in overweging.

Kengetallen per 31 december 2021

Ten behoeve van het financieel toezicht hanteert de onderwijsinspectie al enige tijd verschillende kengetallen. Voor deze kengetallen zijn signaleringswaarden bepaald. Deze signaleringswaarden vormen indicaties van mogelijk verzwakte financiële posities. In het kader van het financieel sturingskader van de EUR worden deze kengetallen periodiek gemonitord.

Voor de beoordeling van de jaarrekeningen over 2021 zijn door de Onderwijsinspectie nieuwe kengetallen en signaleringswaarden gedefinieerd.

De uitkomsten in 2021 op de externe ratio’s zijn als volgt:

tabel 6.3

    Signalerings- waarde lvhO Actuals 2021
Huisvestingsratio* (Huisvestingslasten + afschrijvingen gebouwen en terreinen) / totale lasten x 100% > 15% 9,2%
Rentabiliteit (1-jarig)* Resultaat jaar t / totale baten t x 100% < - 10% -0,3%
Rentabiliteit (2-jarig) (retrospectief)* ∑ (Resultaat jaar t-1; resultaat jaar t) / ∑ (totale baten jaar t-1; totale baten jaar t) x 100% < -5% -1,6%
Rentabiliteit (2-jarig) (prospectief)* ∑ (Resultaat jaar t; resultaat jaar t+1) / ∑ (totale baten jaar t; totale baten jaar t+1) x 100% < -5% -1,0%
Rentabiliteit (3-jarig) (retrospectief)* ∑ (Resultaat jaar t-2; resultaat jaar t-1); resultaat jaar t) / ∑ (totale baten jaar t-2; totale baten jaar t-1; totale baten jaar t) x 100% < 0% -2,4%
Rentabiliteit (3-jarig) (prospectief)* ∑ (Resultaat jaar t; resultaat jaar t+1; resultaat t+2) / ∑ (totale baten jaar t; totale baten t+1; totale baten jaar t+2) x 100% < 0% -0,7%
Solvabiliteit II (Eigen vermogen + voorzienigen) / totale vermogen x 100% < 30% 58,1%
Weerstandsvermogen Eigen vermogen / totale baten x 100% < 5% 29,1%
Liquiditeit (Vorderingen + liquide middelen) / kortlopende schulden < 0,75 0,85
Absolute omvang liquide middelen Balanspositie ultimo 2021
< € 2 miljoen 110,5 miljoen

De scores op de kengetallen in 2021 voldoen aan de gestelde streefwaarden en normen, met uitzondering van de driejarige rentabiliteit (zowel prospectief als retrospectief). Dit wordt veroorzaakt doordat bewust meer wordt uitgegeven aan diverse investeringsprogramma’s met als doel de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren. Deze (financiële) tekorten worden gedekt vanuit de beschikbare reserves binnen het eigen vermogen.

Signaleringswaarde mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen

Het feitelijk eigen vermogen (publiek deel van het eigen vermogen) van de EUR bedraagt ultimo boekjaar 2021 € 175 miljoen. Het normatief eigen vermogen bedraagt voor de EUR ultimo boekjaar 2021 € 301 miljoen. Het publiek eigen vermogen komt daarmee niet boven de signaleringswaarde voor mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen van onderwijsinstellingen.

Continuïteitsparagraaf

De continuïteitsparagraaf geeft inzicht in de manier waarop de EUR omgaat met de (financiële) gevolgen van het gevoerde en te voeren beleid. Het gaat daarbij om toekomstige ontwikkelingen, exploitatieresultaat, investeringen en de vermogensontwikkeling.

Het financieel-economisch beleid van de EUR waarborgt de continuïteit van de bedrijfsprocessen in financiële zin. Een gebalanceerde middelenverdeling, structureel sluitende begrotingen en een gezonde liquiditeit en solvabiliteit (hoger dan de signaleringsgrenzen van OCW) zijn daarbij de belangrijkste uitgangspunten. Tekorten zijn uitsluitend planmatig en tijdelijk van aard. Tot 2022 heeft de EUR bewust gestuurd op een negatieve begroting. De middelen zijn ingezet voor onderzoek, onderwijs en bedrijfsvoering. Het niveau van de reserves wordt bewaakt. Vanaf 2023 wordt er gestuurd op een financieel gezonde universiteit.

Overigens moet worden opgemerkt dat bij het opstellen van de meerjarenbegroting 2022-2025 nog geen rekening is gehouden met een tweetal recente ontwikkelingen. Enerzijds betreft hier de impact van de oorlog in Oekraïne en anderzijds de extra middelen die toegezegd zijn op basis van het regeerakkoord.

Economisch klimaat

De oorlog in Oekraïne en de door de overheid opgelegde sancties tegen Rusland zullen een negatief effect hebben op de Europese economie. De stijging van de energielasten zal indirect leiden tot hogere inflatieniveaus. Ook is mede door de oorlog sprake van schaarste qua grondstoffen.

Voor de EUR leidt het verslechterde economische klimaat, de hoge energieprijzen, stijging van de bouwkosten, de toename van de inflatie en de krappe arbeidsmarkten tot hogere kosten voor zowel personeel als de aankoop van goederen en diensten.  

De impact van de door overheid opgelegde sancties tegen Rusland en Belarus heeft naar verwachting ook impact op de omvang van de instroom van Russische studenten. Gezien het beperkte aantal studenten vanuit Rusland zullen de financiële consequenties voor de EUR naar verwachting beperkt zijn.

De ontwikkelingen rond de instroom van studenten vanuit Oekraïne is door de oorlog en de grote vluchtelingenstroom als gevolg hiervan lastig in te schatten. Vanuit een historisch perspectief is de instroom van Oekraïense studenten beperkt.

Voor de studenten die door de oorlog in Oekraïne in de financiële problemen raken is vanuit het Erasmus Trustfonds een noodfonds opgericht. De universiteit en het Erasmus Trust Fonds hebben ieder € 25.000 gestort in het noodfonds. Verder is de omvang van dit noodfonds afhankelijk van donaties.

Politiek klimaat – Regeerakkoord

Het regeerakkoord van het nieuw aangetreden kabinet beoogt het hoger onderwijs te versterken door de voorspelbaarheid van de rijksbekostiging te vergroten, de prikkel in de bekostiging voor een hogere instroom van studenten weg te nemen, de vaste voet in de rijksbekostiging te herzien en te verhogen, de balans tussen eerste- en tweede geldstroom bekostiging te verbeteren en meer ruimte te creëren om de werkdruk te verminderen.

De financiering wordt verhoogd met € 700 miljoen extra aan structurele financiering voor onderwijs en onderzoek en de vorming van een onderzoeksfonds van € 5 miljard gespreid over tien jaar. 

Naast deze extra middelen worden in 2023/2024 de studiebeurzen weer ingevoerd, blijven de investeringen in het studievoorschot onaangetast en worden bezuinigingen als gevolg van rente- en DUO-problemen niet hersteld.

De gevolgen van het regeerakkoord zijn nog onzeker. Wel is inmiddels duidelijk dat extra (structurele) middelen beschikbaar worden gesteld. Het is nog niet bekend welke bedragen voor hoger onderwijs en onderzoek worden uitgetrokken en hoe ze worden verdeeld.

Majeure investeringen

De komende jaren blijft de EUR fors investeren in huisvesting en digitalisering. Jaarlijks is er € 5 miljoen beschikbaar voor digitaliseringsinitiatieven. Aankomende jaren is het visiedocument ‘Staat der Digitalisering’ leidraad om de ontwikkelingen met betrekking tot digitalisering verder te ontwikkelen.  

Als gevolg van de COVID-19 pandemie worden de gebouwen anders gebruikt. De analyse hierop wordt de komende periode verder uitgevoerd. Ook vindt evaluatie plaats op de nieuwe onderwijsmethoden op het gebruik van ruimtes en techniek.

Tot en met 2030 wordt er jaarlijks gemiddeld € 20 miljoen geïnvesteerd in de renovatie en nieuwbouw van huisvesting.

Campus in ontwikkeling (CiO)

Eind 2010 besloot de EUR om de campus Woudestein te ontwikkelen tot een campus van internationale allure waar het aangenaam studeren en werken is. Het totale programma is in drie fases opgedeeld. Fase III voltrekt zich nu. De focus ligt op de start van het nieuwe multifunctioneel onderwijsgebouw (MFO II) en het Sportgebouw. Nadat de aannemers het ontwerp eind 2020 uitgewerkt hadden, is snel begonnen met de uitvoering. Ondank de krapte op de markt aan grondstoffen en menskracht verloopt de uitvoering volgens planning. In 2021 zijn stappen gezet in de voorbereiding van nieuwe studentenhuisvesting en zijn afwegingen gemaakt voor de herpositionering van de aanbesteding voor de renovatie van gebouw Tinbergen. Het Tinbergen gebouw is in 2021 gesloten wat heeft geleid tot een versnelde afschrijving. Ook het ISS-gebouw moet gerenoveerd worden. Voor de geprognotiseerde afronding tot en met 2026 is een investeringsraming van € 230 miljoen onvoldoende als gevolg van bouwprijs ontwikkelingen.

Een belangrijke maatregel is ‘Herijken van de vastgoedstrategie’. In het kader daarvan is een richtlijn opgesteld voor het ruimtegebruik van de kantooromgeving op Campus Woudestein. Met de herijking van de onderwijsomgeving moet worden gewacht in verband met de onzekerheden die bestaan over de plek die digitaal onderwijs in de toekomst gaat innemen ten opzichte van de fysieke onderwijsvorm op de campus.

Naast Woudestein kent ook Hoboken een ambitieus investeringsprogramma. In 2027 staat vernieuwing van het faculteitsgebouw hoog op de agenda, waarvoor al jaren wordt gereserveerd via de voorziening ‘Vooruitontvangen kapitaallasten’.

Omvang investeringen vastgoed

Door de investeringen in het vastgoed in verband met CiO III programma, voorziet de EUR dat de huisvestingslasten van Woudestein in de looptijd tot 2026 binnen een bandbreedte zal variëren tussen de € 45 miljoen en € 47 miljoen per jaar. De afspraken over de maximale huisvestingslasten ten opzichte van de inkomsten worden nauwkeurig gemonitord en bewaakt.

Investeringsbeslissingen worden integraal, inclusief onderhoudskosten, doorgerekend op structurele lasten. Bij alle projecten zijn diverse go/no-go-momenten ingebouwd. Daarnaast is een governancestructuur aanwezig waarbij een stuurgroep, voorgezeten door een lid van het CvB, de operationele en financiële voortgang monitort. Als onderdeel van de governance van het CiO programma vond in het najaar van 2017 een hernieuwde risicomanagementevaluatie plaats voor CiO III. In algemene zin ziet de EUR de combinatie tussen de overspannen bouwmarkt en de hoge eisen van gebruikers c.q. duurzaamheid als een aandachtpunt. In 2021 is een begin gemaakt met het opstellen van een richtlijn voor het ruimtegebruik van de kantooromgeving op de Campus.

Ontwikkelingen kengetallen

Verwachtingen studentenaantallen

tabel 6.4

In 2021 is het aantal studenten toegenomen naar 31.351 (2020: 30.388). De verwachting is dat het aantal studenten de aankomende jaren verder stijgt. Dit is conform de raming van het OCW. Oorzaken is onder meer de toename van het aantal internationale studenten. Ook blijft er de komende periode een toename zichtbaar vanuit de doorstroom uit het HBO-onderwijs.

In de afgelopen jaren groeide het aantal studenten. Tegelijk met deze groei is de student-staf-ratio in de afgelopen jaren verslechterd. De (onevenwichtige) toename van studenten en de druk of de financiën (mede als gevolg van de lage vaste voet) leidt intern tot nog meer druk op de onderwijs- en onderzoekskwaliteit en de werklast van docenten.

Verder ontvangt de EUR als relatief jonge universiteit een lagere vaste voet dan de andere (algemene) universiteiten. En, als gevolg daarvan, een lagere bekostiging per student.

Verwachte personele bezetting

Onderstaande tabel geeft de verwachte ontwikkeling van de fte-aantallen met een aanstelling bij de EUR weer. De indeling sluit aan bij de systematiek die binnen de EUR gebruikt wordt.

tabel 6.5

  2021 2022 2023 2024 2025
fte academic staff 2.254 2.195 2.137 2.140 2.126
fte PhD 822 794 775 759 738
fte student assistant 127 128 127 126 126
fte support and management staff 2.623 2.718 2.701 2.712 2.715
fte executive board 3 3 3 3 3
Totaal 5.829 5.838 5.743 5.740 5.708

De personele bezetting steeg in 2021 licht. De toename is zichtbaar bij zowel het wetenschappelijk personeel als het ondersteunend en beheer personeel. Verder is de verwachting dat het aantal FTE in 2022 zal toenemen als gevolg van de inzet van NPO-middelen. Het betreft hier tijdelijke krachten. De tabel laat zien dat na 2022 het aantal fte afneemt. Dit is deels te verklaren door de inzet van tijdelijk personeel om de plannen vanuit de NPO-middelen uit te kunnen voeren. Ook is hier van invloed dat in de begroting rekening is gehouden met contracten die aflopen. Dit is veelal verbonden aan medewerkers die werkzaam zijn op projecten die worden gefinancierd met budget vanuit de 2e en 3e geldstroom. In de praktijk blijkt veelal dat nieuwe projecten worden geworven en de begrote daling zich in de praktijk niet voordoet. Bij het opstellen van de begroting voor de komende jaren zal deze systematiek opnieuw worden beoordeeld met als doel in de begroting een realistischer beeld van het verloop van het aantal fte te tonen.

Meerjarenbegroting

Balans

Geconsolideerde balans

tabel 6.6

Balance in M€ Rekening 2020 Rekening 2021 Begroting 2021 Begroting 2022 Planning 2023 Planning 2024 Planning 2025
Activa              
Vaste activa              
Immateriële vaste activa 6,3 4,6 2,1 2,1 2,1 2,1 2,1
Materiele vaste activa 255,1 270,6 240,7 280,4 293,1 297,5 271,2
Financiële vaste activa 0,5 0,4 1,3 1,3 1,3 1,3 1,3
Totaal vaste activa 261,9 275,6 244,1 283,8 296,5 300,9 274,6
               
Voorraden 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1
Vorderingen uit collegegelden 1,1 0,9 1,5 1,1 1,6 1,7 1,8
Overige vorderingen 27,9 30,4 38,1 40,3 40,8 41,2 41,5
Liquide middelen 115,1 110,5 46,0 15,0 15,0 15,0 15,0
Totaal vlottende activa 144,2 141,8 85,7 56,6 57,6 58,0 58,4
Totaal activa 406,1 417,4 329,8 340,4 354,1 358,9 333,0
Passiva              
Eigen vermogen 221,8 219,1 199,9 186,4 186,8 189,4 193,2
w.v. Algemene reserve 78,3 139,6 90,9 63,6 63,1 65,7 68,1
Bestemde Reserves Publiek 108,8 35,5 70,7 88,7 88,3 86,2 84,8
Bestemde Reserves Privaat 33,5 42,7 36,7 32,4 33,5 35,3 37,9
Bestemmings-fonds Privaat 0,4 0,2 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5
Wettelijke reserve 0,9 1,2 1,2 1,1 1,4 1,7 2,0
Voorzieningen 21,7 23,6 19,6 15,5 15,0 14,0 13,6
Langlopende schulden 8,2 7,8 7,7 45,2 43,0 41,9 13,1
Kortlopende schulden 154,4 166,9 102,5 93,4 109,2 113,6 113,2
Totaal passiva 406,1 417,4 329,8 340,4 354,1 358,9 333,0

Toelichting op geconsolideerde balans:

  • De geconsolideerde meerjarige balans van de EUR toont een toename in de vaste activa. Dit wordt veroorzaakt door de ambities door te blijven investeren in onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering. Hiervoor wordt de campus uitgebreid door te faciliteren in met name huisvesting en digitaliseringstrajecten en –projecten.
  • Door de omvangrijke investeringen in huisvestings- en digitaliseringsprojecten is de verwachting dat de liquide middelen de komende jaren verder zullen afnemen en mogelijk ook geleend zal gaan worden, vandaar ook de toename van de schulden.

    De liquiditeitsratio blijft (zoals eerder is aangegeven) in 2021 boven de signaleringswaarde. Op basis van de cijfers in de meerjarenbegroting, dalen liquide middelen fors in 2022 en komt de liquiditeits-ratio onder de (verhoogde) signaleringswaarde uit van onderwijsinspectie. De liquiditeitsratio voldoet naar verwachting de komende jaren nog wel aan de interne signaleringswaarde van 0,5 die de EUR hanteert.

    De afname van de liquiditeitsratio wordt vooral veroorzaakt door de daling van de absolute omvang van liquide middelen, die voor de periode 2022 t/m 2025 op € 15 miljoen wordt begroot. Deze bedraagt per ultimo 2021 nog € 110,5 miljoen, waar € 46 miljoen was begroot in het (goedgekeurde) Budget Plan 2021-2025. De absolute omvang van de liquide middelen laat een daling ad € 95,5 miljoen zien tussen 2021 en 2022. Dit wordt veroorzaakt doordat vanaf 2022 de begrootte omvang van de liquide middelen is opgenomen, hierbij is geen rekening gehouden met de gerealiseerde omvang van liquide middelen in 2021 (die € 64,5 miljoen hoger zijn dan begroot voor dat jaar).   
     
  • Het eigen vermogen blijft naar verwachting in 2022 dalen als gevolg van het negatief resultaat dat is begroot. De verwachting is dat met ingang van 2023 toegewerkt gaat worden naar een financieel gezonde universiteit.

Baten en Lasten

tabel 6.7

in M€ Rekening 2020 Rekening 2021 Begroting 2021 Begroting 2022 Planning 2023 Planning 2024 Planning 2025
Rijksbijdrage 311,1 353,2 344,2 406,5 389,2 397,9 404,9
Prestatiebekostiging 14,7 16,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
Collegegelden 66,7 63,1 71,1 54,3 78,7 81,5 84,5
Baten werk i.o.v. derden 190,4 205,9 201,2 221,1 225,2 229,1 231,6
Overige baten 103,2 113,8 115,3 124,5 126,0 128,6 129,9
Totaal baten 686,1 752,1 731,8 806,4 819,0 837,1 850,8
Personeelslasten eigen personeel 466,3 491,3 493,0 534,0 527,0 533,1 534,8
Personeel niet in loondienst 30,3 31,3 22,9 27,2 26,2 25,8 29,3
Afschrijvingen 40,9 39,2 42,4 42,7 45,4 45,7 49,6
Huisvestingslasten 36,1 29,0 33,8 33,9 35,6 36,4 37,0
Overige lasten 139,2 150,0 168,5 179,6 176,4 185,2 189,2
Totaal lasten 712,9 740,8 760,5 817,5 810,5 826,1 839,9
Saldo -26,8 11,3 -28,7 -11,1 8,5 11,0 10,9
Financiële baten en lasten -0,4 4,0 0,0 -0,8 -0,7 -0,8 -0,9
Resultaat -27,2 15,3 -28,7 -11,9 7,9 10,1 10,0
Aandeel derden in resultaat -6,6 16,0 2,0 1,6 7,5 7,5 6,2
Netto resultaat -20,6 -0,6 -30,7 -13,5 0,4 2,6 3,8
               
  • De toename van de Rijksbijdrage wordt in 2021 voor een substantieel deel verklaard door de bijdrage vanuit NPO-middelen. Deze middelen zijn ter beschikking gesteld om de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor onderwijs en onderzoek te beperken. Deze middelen worden vanaf 2023 niet meer ter beschikking gesteld en zijn dus tijdelijk van aard.
  • In het resultaat 2021 zitten ook incidentele effecten verwerkt. Zo heeft de verkoop van Harbour Biomed (Erasmus MC) geleid tot een resultaatverbetering van € 5,8 miljoen.

Overige rapportages

Risicobeheersing en controlesysteem

De EUR onderschrijft de Code Goed Bestuur van Universiteiten van Nederland (UNL), de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, de UNL Gedragscode voor gebruik van persoonsgegevens in wetenschappelijk onderzoek en de Code Openheid Dierproeven. De rollen van het CvB en de RvT op het gebied van interne governance voldeden in het verslagjaar aan de wettelijke kaders zoals deze zijn opgenomen in de Wet op Hoger Onderwijs en Onderzoek (WHOO).

Het doel van risicomanagement is om risico’s te beheersen, kansen te realiseren en in relatie te brengen met de strategie voor de realisatie van de organisatiedoelstellingen. Risicomanagement is een continu proces, waarbij de EUR naast haar eigen organisatie ook naar haar externe omgeving kijkt.

Via integraal risicomanagement kiest de EUR voor een brede invulling van risicomanagement, waarbij niet alleen de (wettelijke) kaders worden gevolgd, maar het bewustzijn van risico’s, kansen en onzekerheden breder bij elke medewerker wordt gestimuleerd. Op deze wijze ontstaat een goede en verantwoorde balans tussen risico’s nemen en risico’s beheersen.

Het risicomanagementbeleid van de EUR is de basis voor het verankeren van risicomanagement op alle niveaus in de organisatie en vormt het kader voor de uitvoering van risicomanagement.

De EUR kent een verbijzonderde risicomanagementfunctie in de tweede lijn. De riskfunctie draagt er zorg voor dat risicomanagement in de brede zin van het woord in de organisatie is verankerd. De riskfunctie is ook verantwoordelijk voor het monitoren, evalueren, adviseren en rapporteren over de beheersing van risico’s.

Het reguliere risicomanagement is belegd in de lijn. Decanen en directeuren van de diverse organisatieonderdelen (faculteiten, diensten, instituten, stafafdelingen en programma’s) zijn verantwoordelijk voor de implementatie van het risicomanagement in de reguliere bedrijfsvoering en het formuleren van mitigerende maatregelen.

Risicomanagement vormt een terugkerend agendapunt in periodieke bilaterale overleggen tussen het CvB en de organisatieonderdelen, en periodieke bestuurlijke overleggen tussen het CvB en de decanen gezamenlijk. Daarnaast is risicomanagement een vast onderdeel van de begroting.

Er worden stappen gezet om risicomanagement verder te integreren in de organisatie. Risicomanagement is al als vast onderdeel opgenomen in de planning- en control producten.

Naast de versterking van het risicomanagement binnen de EUR is de interne audit- en reviewfunctie een vast onderdeel van het beheersingssysteem van de EUR. Het uitvoeren van audits en reviews op het vlak van randvoorwaardelijke processen ten behoeve van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek moet het lerende vermogen van de organisatie versterken. In 2021 is het Audit Charter herzien met het doel om de onafhankelijke positie van de Audit & Review Functie te versterken. Tevens is ook het proces met betrekking tot het uitvoeren van de audits vastgelegd.

In 2021 is ook voor de eerste keer een meerjarige audit- en reviewagenda opgesteld waarin een aantal onderwerpen is opgenomen waarop audits en reviews worden uitgevoerd. De onderwerpen zijn opgenomen op basis van input van risicomanagement, interne en externe toezichthouders en als gevolg van nieuw beleid of nieuwe ontwikkelingen.

De audit- en reviewagenda wordt vastgesteld door het CvB en besproken in de Audit commissie (AC) van de RvT. Tijdens de audit en reviews wordt gekeken op welke wijze processen zijn vormgegeven en ingebed en wat de sterke en eventuele verbeterpunten zijn. Daar waar nodig wordt gebruik gemaakt van externe kennis en expertise. De implementatie van de aanbevelingen uit de audits worden gemonitord door de interne Audit & Review Functie en gerapporteerd aan het CvB en het AC.

Vanaf 2022 wordt op basis van vier thema’s een meerjarige Audit & Review Agenda vastgesteld. De agenda is flexibel, zodat gedurende het jaar ruimte bestaat om ad hoc audits aan de agenda toe te voegen. Als onderdeel van de Audit & Review Agenda voert de EUR een frauderisicoanalyse uit. Bij de gedetecteerde risico’s wordt gekeken naar de interne beheersmaatregelen om de risico’s te mitigeren. Op basis van een kans- en impactanalyse is bepaald of nadere interne beheersmaatregelen nodig zijn. Het gaat hierbij om financiële risico’s, maar ook risico’s op het gebied van onderwijs en wetenschappelijke integriteit. De frauderisicoanalyse is door het CvB gedeeld en besproken met de RvT.

Beheersingskader

Binnen de EUR komt beleid gezamenlijk tot stand en dat beleid is gebaseerd op de EUR-brede strategie. Dit gebeurt in wisselwerking tussen het CvB, decanen, directeuren van ondersteunende diensten en onderwijs- en onderzoeksdirecteuren. Er wordt in deze strategie gezamenlijk verantwoordelijkheid genomen voor de inhoudelijke focus vanuit het gemeenschappelijke EUR-belang en ten behoeve van onderlinge samenwerking met externe partners.

De interactieve besturingsfilosofie komt tot uiting in een decentrale bestuurscultuur en integraal management van decentrale beheerders. Integraal management betekent dat een organisatieonderdeel binnen de gestelde kaders volledig verantwoordelijk en bevoegd is op zijn eigen taakgebied, doelstellingen, werkproces, medewerkers en middelen. Het organisatieonderdeel is ook verantwoordelijk voor de interfaces met andere organisatieonderdelen. Het CvB bewaakt het totale en integrale resultaat en stelt de kaders waarbinnen de vrijheid geldt. Het CvB beschikt hiervoor over diverse beheersinstrumenten. Het interne beheersingssysteem bestaat, naast de strategische kaderstelling, uit reglementen en procedures die gericht zijn op het verschaffen van redelijke waarborgen. Op deze manier worden de belangrijkste risico’s van de organisatie geïdentificeerd en de doelstellingen uit Strategie 2024 Plan gehaald, vanzelfsprekend binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving.

De belangrijkste (niet limitatieve) onderdelen van de interne beheersing zijn:

  • Strategie24, waarin de strategische lange termijn doelen en -doelstellingen zijn geformuleerd en de doorvertaling daarvan naar onderliggende convenanten met de beheerseenheden;
  • het Bestuurs- en Beheersreglement waarin de bevoegdheden van de door het CvB aangestelde beheersfunctionarissen zijn geregeld;
  • een masterplan ‘Digitale Veiligheid en Privacy’ waarin de, door de sterke toename van digitalisering veroorzaakte, grote uitdagingen op het gebied van informatievoorziening worden vertaald naar activiteiten in het kader van zowel innovatie als beheer;
  • de ‘Regeling melding vermeende misstanden EUR’, beter bekend als de klokkenluidersregeling;
  • de ‘Regeling nevenwerkzaamheden’ over de openbaarmaking van potentiële belangenverstrengeling van onderzoekers en andere medewerkers;
  • de Integriteitscode waarin centraal staan: vertrouwen, respect voor mensen, transparantie en het inspireren van samenwerking;
  • een begrotingscyclus die bestaat uit een kaderstelling, begrotingsplannen en een instellingsbegroting. Het CvB keurt de begrotingsplannen van faculteiten en overige organisatieonderdelen goed als deze binnen het financiële kader van de EUR passen. Zij vormen de basis voor de instellingsbegroting, die wordt goedgekeurd door de RvT;
  • de meerjarige cashflowprognoses, gebaseerd op resultaatprognoses en een meerjarige investeringsagenda. Deze prognoses wordt een aantal malen per jaar bijgesteld aan de hand van de laatste financiële inzichten;
  • een bottom-up gevoed stelsel van drie keer per jaar gegeven rapportages aan het CvB over financiële en niet-financiële feiten, met een afschrift aan de RvT en de medezeggenschapsorganen; de rapportages gaan over de realisatie en bevatten een eindejaarprognose;
  • een stelsel van periodieke bilaterale overleggen tussen het CvB en de organisatieonderdelen, alsmede periodieke bestuurlijke overleggen tussen het CvB en de decanen gezamenlijk;
  • spend-analyses en een inkoop- en aanbestedingskalender ten behoeve van rechtmatig inkopen, aangevuld met de taken en verantwoordelijkheden van het Tenderboard;
  • een finance/legal/adminstrative/tax (FLAT)-toets bij grote en/of langdurige projecten en contracten die bepaalde grenzen te boven gaan (groter dan € 206.000 exclusief BTW of met een doorlooptijd langer dan vier jaar);
  • een Treasury Statuut dat voldoet aan de ‘Regeling Beleggen en Belenen’: de EUR maakt gebruik van schatkistbankieren, waarbij overtollige liquiditeiten bij het ministerie van financiën worden aangehouden;
  • de jaarlijkse getrapte ‘Letter of Representation’, waarin (sub)beheerders verklaren in te staan voor de volledigheid en juistheid van de informatie met betrekking tot relevante financiële beheerszaken binnen hun mandaatgebied;
  • De Audit commissie, dat als subcommissie van de RvT, vier keer per jaar vergadert en extra aandacht schenkt aan het financieel economisch reilen en zeilen van de universiteit in brede zin en daarover rapporteert aan de RvT.
  • Het risicomanagementbeleid 2024, waarin door middel van integraal risicomanagement het risicobewustzijn organisatie-breed wordt gestimuleerd.
  • Het risk & control framework (RCF) van de afdeling Monitoring & Reporting (M&R) voor het waarborgen van betrouwbare financiële verslaglegging en verslaggeving. De financiële processen zijn per proces in kaart gebracht en hierop worden controles uitgevoerd. Het framework beschrijft welke risico’s op het gebied van financiën en financiële verslaggeving de EUR onderkent en welke interne beheersing hierop is geformuleerd. M&R heeft de werkprogramma’s van een aantal processen uitgewerkt. Daarin worden de, in het RCF opgenomen, beheersmaatregelen getoetst om vast te stellen dat ze daadwerkelijk zijn geïmplementeerd. M&R inventariseert en rapporteert periodiek over de uitvoering van de interne beheersingsmaatregelen. Vanuit de managementletter 2020 zijn de adviespunten over het identificeren van de key controls opgevolgd en de inconsistenties in de risicoclassificatie zijn opgeheven. Op deze wijze zorgt de EUR dat betrouwbare financiële verslaglegging en verslaggeving gewaarborgd zijn.

Beschrijving van de belangrijkste risico’s en onzekerheden

Risico’s en onzekerheden

In de afgelopen twee jaar kwam de onderwijssector voor grote uitdagingen te staan. De schaal en het tempo van de veranderingen en de uitdagingen waarmee universiteiten worden geconfronteerd als gevolg van COVID-19, zijn enorm. Vooruitgang, innovatie en ambities kunnen niet bestaan zonder risico’s. Op basis van de uitgevoerde risicoanalyse onderkennen wij een aantal belangrijke risico’s. In onderstaand plaatje zijn deze weergegeven en daaronder worden ze verder toegelicht. De identificatie van deze risico’s is het resultaat van een strategische dialoog met het College van Bestuur en de decanen.

Cybersecurity en informatiebeveiliging

Cybersecurity en informatiebeveiliging zijn belangrijke aandachtsgebieden. Het werken op afstand, hybride onderwijs en recente aanvallen op onderwijsinstellingen zetten het onderwerp bovenaan de strategische risicoagenda. De EUR brengt dit risico verder in kaart en treft adequate maatregelen om ervoor te zorgen dat de impact op de activiteiten van de EUR beperkt blijft. Alle organisatieonderdelen hebben de verantwoordelijkheid om hun personeel bewust te maken van dit onderwerp. De dienst IT, CIO office en de afdeling Documentary Information Management is samengevoegd tot Erasmus Digitalisation & Information Services (EDIS) om het beleid en de kaders op het gebied van informatiebeheer en de innovatie en vernieuwing van projecten voor de EUR te borgen. Ook houdt EDIS zich bezig met de veiligheid van de informatievoorzieningen.

Studentenaantallen

Door de hogere instroom van studenten is de vraag hoe we de toegankelijkheid van ons onderwijs voor alle doelgroepen borgen. Vanwege verwachte stijging van het aantal studenten is het noodzakelijk dat de EUR een aantal factoren nader onderzoekt. Waaronder de capaciteit van het personeel, de huisvesting, de effecten op de kwaliteit van het onderwijs en de studentenervaring – en welzijn van medewerkers en studenten.

De EUR is zich ervan bewust dat er grenzen zijn aan de groei. De volgende stap is om de grenzen te onderzoeken, dan wel de gewenste situatie en welke strategie de EUR gaat volgen. Het is een belangrijk vraagstuk tijdens de strategische dialoog tussen het bestuur en de faculteiten. Het gaat om de positionering van de EUR in de toekomst met betrekking tot het omgaan met de volatiliteit en de aanhoudende groei van de studentenaantallen. Door de groei van het aantal studenten en de lage vaste voet die de EUR als (relatief) jonge universiteit ontvangt daalt de vergoeding die de EUR ontvangt per student. 

Personeel en welzijn

Door de krappe arbeidsmarkt is het steeds moeilijker om kwalitatief goed (academisch en ondersteunend) personeel aan te trekken en te behouden. Vacatures zijn lastig en slechts met veel tijd in te vullen. De EUR zal er daarom voor zorgen dat zij aantrekkelijk is en blijft als werkgever door positieve arbeidsvoorwaarden, carrièremogelijkheden en werkomstandigheden en een veilige werkomgeving te bieden.

Het welzijn van het personeel vormt een uitdaging voor alle organisatieonderdelen. Ze staan voor de opgave om de werkdruk te verlagen en het welzijn van het personeel te verhogen. De EUR investeert in haar medewerkers en de vaardigheden van haar medewerkers om ambities en innovaties te realiseren. Door een aanzet te maken met strategische personeelsplanning brengt de EUR de toekomstige personeelsuitdagingen in beeld.

Kwaliteit van de basisdienstverlening bij professional services

De toename van het aantal studenten in combinatie met het aanbieden van hybride onderwijs, creëert uitdagingen voor het handhaven van de kwaliteit van de ondersteunende basisdiensten. De toenemende vraag naar die diensten en de complexiteit van de aanvragen neemt toe, met als gevolg dat het basisniveau van ondersteunende diensten onder druk staat. Daarnaast beïnvloeden verouderde systemen en werkmethoden de kwaliteit van de dienstverlening. De EUR staat voor de opgave om de levering van de diensten opnieuw te beoordelen, prioriteiten stellen en eventueel aan te passen.

Real Estate & Facilities

De toename van het aantal studenten, het online-onderwijs en het hybride werken leidden tot een veranderde behoefte aan huisvesting. De EUR is bezig om deze vraagstukken nader in kaart te brengen. Het komend jaar wordt hieraan verder gewerkt binnen de dienst Huisvesting, zodat hier adequate maatregelen kunnen worden getroffen.

Interdisciplinair potentieel

Optimaal gebruik van ons interdisciplinair potentieel is de rode draad die door onze strategische ambities en activiteiten loopt. Het is tevens een voorwaarde om complexe maatschappelijke uitdagingen op te lossen en impact te creëren. De veranderende verwachtingen bij belanghebbenden in zowel de opzet als de uitvoering van onderwijs en onderzoek beïnvloeden de manier waarop wij in de toekomst werken. Meer samenwerking in het onderwijs tussen faculteiten leidt tot nieuwe kansen, echter ook tot onzekerheden. Te weinig denken vanuit het ecosysteem 'denken en werken', leidt mogelijk tot ineffectiviteit in onze strategische partnerschappen (focus/ aantrekkelijkheid). Daarnaast is er sprake van toegenomen concurrentie van andere universiteiten, zowel nationaal als internationaal., Dat geldt op het gebied van onderzoeksfinanciering (beurzen en projecten) en voor talent en middelen. Het risico bestaat hierdoor dat de interdisciplinaire agenda en daarmee de ambities niet worden behaald. Om de kans daarop te verminderen, brengt de EUR meer focus aan in de partnerschappen waarin zij wil samenwerken en dat doet ze op basis van een EUR-brede visie. Daarnaast wordt door afstemming een betere koppeling van initiatieven bewerkstelligd. Ook leidt het tot een duidelijker impactprofiel. De samenwerking tussen faculteiten en het delen van informatie en relaties met relevante belanghebbenden wordt verder ontwikkeld.

Innovatie in onderwijs

Door het huidige beleid, de structuren en de systemen aan de EUR bestaat het risico dat de universiteit onvoldoende in staat is om innovaties in het onderwijs door te voeren (interdisciplinair/ impact gedreven). De EUR erkent welke basisvoorwaarden nodig zijn zoals de infrastructuur voor innovatie in het onderwijs (niet alleen digitalisering). Verder worden barrières geslecht die innovatie van zekerheden in de weg kunnen staan (jaarplanning, procedures, systemen, financiering).

Planning & control EUR

Bovenstaande risico’s zijn onderdeel van het integrale beeld van het risicoprofiel. De EUR onderkent het belang voor de continuïteit van de universiteit. De vervolgstap is dat er meer focus komt op de sturing en beheersing van deze risico’s, met als doel in control te komen voor de realisatie van de strategische ambities van de EUR.

Faculteiten en professional services rapporteren in hun begroting over de grootste risico’s. Het doel is risicomanagement in 2023 verder te brengen. Naast het continue voeren van de risicodialoog met de onderdelen op tactisch niveau en met het bestuur op strategisch niveau, is het streven om vanaf 2023 ook de monitoring van de voortgang in de planning & control verder te professionaliseren. In de periodeverslagen wordt voortgang van de risico's en maatregelen gerapporteerd.  

Rapportage toezichthoudend orgaan

De Auditcommissie (AC) kwam in het verslagjaar vier keer bijeen. De belangrijkste onderwerpen die besproken werden in het AC en vervolgens in de RvT waren:

Jaarrekening en accountantsverslag 2021

In 2021 werden het EUR Jaarverslag en de managementletter van de externe accountant over de EUR Jaarrekening besproken. Hierbij gaf de door de raad benoemde externe accountant een nadere toelichting. Naar aanleiding van de jaarrekening werd ook de frauderisicoanalyse besproken in de AC.

Financiële voortgangsrapportages

Periodiek worden de AC en de RvT schriftelijk geïnformeerd over de complete financiële voortgang in het begrotingsjaar en over de financiële voortgang van grootschalige investeringsprogramma’s zoals Campus in Ontwikkeling.

EUR Kadernota 2022-2025 (Erasmus Perspective) en de EUR Begroting 2022-2025

De Erasmus Perspective 2022-2025 geeft de financiële kaders weer voor de EUR Begroting 2022-2025. Op basis van de toegewezen budgetten in de Perspective kunnen faculteiten en ondersteunende diensten hun begroting opstellen. De EUR Begroting is na bespreking in de AC goedgekeurd door de RvT. Ook het proces om te komen tot een herijking van de begroting is in de AC besproken. Doel van deze herijking is om de koppeling beter zichtbaar te maken tussen inhoud (implementatie van beleid en projecten) en financiën.

Campus in Ontwikkeling (CiO)

In 2017 is de tweede fase van CiO afgerond en is er gestart met de derde. De uitbraak van COVID-19 zette een beweging in gang om het strategisch vastgoedbeleid te herijken. Ook staat het Tinbergen gebouw op de Campus op de nominatie voor een renovatie. Pilots op het gebied van hybride werken en onderwijs en het gebruik van kantoorruimtes maken onderdeel uit van een heroriëntatie op kantoor-, onderwijs- en studieruimtes. De AC wordt periodiek geïnformeerd over de uitkomsten van (deel)rapportages.

IT-cybersecurity

Cybersecurity is meermaals besproken tijdens commissievergaderingen, mede in relatie tot de richtlijnen van de overheid met betrekking tot Open Access van onderzoeksdata. Inzicht in de verschillende risico’s is toegelicht door de in 2021 aangestelde Chief Information Security Officer en maatregelen ter verdere verbetering van de veiligheid zijn toegelicht en besproken.

Convergentie EUR – Erasmus MC – TU Delft

In het verslagjaar 2021 zijn de gesprekken tussen de besturen van de EUR, het Erasmus MC en de TU Delft over vergaande vormen van samenwerking geïntensiveerd. Het AC is geïnformeerd over de financieringsbehoefte en de financierbaarheid van dit convergentietraject.

Audit & Reviewagenda 2022-2024 en interne audits 2021

Jaarlijks wordt een Audit & Reviewagenda vastgesteld en in het AC besproken. In 2021 is een nieuwe auditcharter vastgesteld die een nog meer onafhankelijke positie van de auditfunctie moet waarborgen. Ook is een auditplan opgesteld waar de diverse afdelingen zich in kunnen vinden. De opvolging van de aanbevelingen uit de diverse interne audits wordt toegevoegd aan de bilaterale overleggen tussen het CvB en de eenheden (faculteiten en diensten) zodat het gesprek over het implementeren van beleid en projecten aangejaagd kan worden. De monitoring van audits is een vast punt op de AC agenda.

Roadmap Inkoop 2021-2024

Het Inkoopbeleid 2021-2024 waarbij een rechtmatige en duurzame EUR-brede inkoop het doel is, is vertaald in een roadmap waarbij de focus ligt op samenwerking en het ondersteunen van de leadbuyers van de EUR. Zowel het beleid als de roadmap zijn besproken in de AC.

EUR Reservebeleid 2021

Zowel door de externe controller als door interne partijen, zoals de directeuren bedrijfsvoering en decanen, is geadviseerd over een verdere ontwikkeling van het reservebeleid, waarna een verdere aanscherping is besproken in de AC.

Bezoldiging bestuurders

De bezoldiging van de individuele leden van het College van Bestuur en de Raad van Toezicht is verantwoord in de jaarrekening van de EUR en is in lijn met de verantwoordingsplicht uit hoofde van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs.

Verantwoording declaraties bestuursleden 2021

In de brief van de Staatssecretaris van OCW van 25 november 2011 zijn afspraken vastgelegd over de transparantie van declaraties van de bestuursleden. De declaraties van de bestuursleden over 2021 staan hieronder gepresenteerd.

In de jaarrekening worden de, door de leden van het College van Bestuur, gedeclareerde bedragen weergegeven, conform het door de staatssecretaris voorgeschreven format. Onder declaraties verstaat de staatssecretaris: vergoedingen voor gemaakte kosten of geleverde diensten, die door de individuele bestuurders zelf zijn gedeclareerd bij de EUR. In onderstaande tabel zijn de declaraties per bestuurder gespecificeerd.

tabel 6.8

  prof.dr.F.A. van der Duijn Schouten prof. dr. H. Brinksma dr. E.M.A. van Schoten RA prof. dr. A.L. Bredenoord
Onkostenvergoeding € 4.872 € 24.496 € 6.496 € 1.624
Representatievergoeding - - - -
Reiskosten binnenland - € 6.798 € 5.693 € 1.635
Reiskosten buitenland - - - -
Overige kosten € 23 € 198 € 124 € 23
Totaal € 4.895 € 31.492 € 12.313 € 3.282

Notitie Helderheid

De notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het hoger onderwijs’ uit 2003 en de aanvullende notitie uit 2004 zijn bedoeld om de bekostigde universiteiten en hogescholen helderheid te verschaffen over de interpretatie en toepassing van de bestaande bekostigingsregels voor de tellingen van de bekostigingsparamaters van 1 oktober 2003 en volgende jaren. Deze notities gaan over de volgende thema’s:

  1. Uitbesteding van onderwijs;
  2. Investeren van publieke middelen in private activiteiten;
  3. Het verlenen van vrijstellingen;
  4. Bekostiging van buitenlandse studenten;
  5. Collegegeld niet betaald door student zelf;
  6. Studenten volgen modules van opleidingen;
  7. De student volgt een andere opleiding dan waarvoor hij is ingeschreven;
  8. Bekostiging van maatwerktrajecten;
  9. Bekostiging van het kunstonderwijs;
  10. Aantal voor de bekostiging mee te tellen studenten.

Onderstaand volgt een uiteenzetting van de thema’s, toegespitst op de situatie bij EUR ultimo 2021.

  1. Uitbesteding van onderwijs

Er zijn geen uitbestede opleidingen aan niet-bekostigde instellingen.

  1. Investeren in publieke middelen in private activiteiten

Er zijn geen publieke middelen ingezet ten behoeve van private activiteiten buiten de primaire taak. De EUR stelt middelen beschikbaar voor enkele studentvoorzieningen, waaronder sportactiviteiten. Dit betreft echter andere bronnen dan publieke middelen.

  1. Verlenen van vrijstellingen

De EUR verleent geen vrijstellingen aan studenten louter voor het aantrekken van studenten en het daarmee verhogen van de Rijksbijdrage, zonder dat hiervoor een gerede vorm van inspanning heeft gestaan. Die inspanning dient te zijn vastgesteld door de Examencommissie.

  1. Bekostiging van buitenlandse studenten

Alleen studenten van wie de NAW-gegevens bekend zijn bij de EUR tellen mee voor de bekostiging.

  1. Collegegeld niet betaald door de student zelf en profileringsfonds

De EUR betaalt geen collegegelden voor studenten. De regelingen van het Profileringsfonds voorzien in financiële compensatie voor studievertraging als gevolg van persoonlijke omstandigheden, bestuursbeurzen en fee waivers. Zie ook: hoofdstuk 2 Onderwijs (Kwaliteit en studiesucces > Profileringsfonds en beurzen).

  1. Studenten volgen modules van opleidingen

Het is mogelijk als niet-student modules of delen van opleidingen te volgen. Dit wordt aanschuif- of contractonderwijs genoemd. Er kunnen één of meerdere losse vakken worden gevolgd, waarbij de deelnemer zich niet inschrijft als student maar als cursist.

  1. Student volgt een andere opleiding van waarvoor hij is ingeschreven

Is niet van toepassing. Studenten volgen aan de EUR de opleidingen waarvoor zij staan ingeschreven.

  1. Bekostiging van maatwerktrajecten

Betreffende het initiële onderwijs zijn er geen maatwerktrajecten met bedrijven en andere organisaties afgesloten.

  1. Bekostiging van het kunstonderwijs

De EUR heeft met Codarts Rotterdam een Double Degree programma RASL (Rotterdam Arts and Sciences Lab). De studenten staan ingeschreven aan beide instellingen, maar worden bekostigd bij Codarts en niet bij de EUR.

  1. Aantal voor de bekostiging mee te tellen studenten

De EUR registreert een student die voldoet aan alle inschrijvingsvoorwaarden en waarbij tevens aan alle bekostigingsvoorwaarden is voldaan als bekostigd student in BRONHO. Een met goed gevolg afgelegd examen wordt eveneens als bekostigd geregistreerd in BRONHO als aan alle bekostigingsvoorwaarden is voldaan.

Voortgang implementatie beleidsregels Publiek-Privaat

Binnen de EUR speelt momenteel een aantal vraagstukken die de discussie inzake private activiteiten en publieke middelen raakt. Naast een governance vraagstuk rondom sturing en beheersing van verbonden partijen, speelt intern ook een vraagstuk over een consistentie toepassing van kostendoorbelastingen op basis van transfer pricing tussen de universiteit en de entiteiten waar de private activiteiten (grotendeels) in zijn onder gebracht. Tevens is in 2021 thema 2 van de notitie Helderheid in het Onderwijs vervangen door de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten’. Bij de EUR heeft de nieuwe beleidsregel mogelijk impact op diverse onderwerpen en organisatieonderdelen en tevens op de verantwoording hierover. Dat is aanleiding om de beheersmaatregelen rond publiek/privaat tegen het licht te houden. Inmiddels is een plan van aanpak opgesteld en zijn de eerste stappen gezet om toe te werken naar een implementatie van deze nieuwe beleidsregels.

Hoewel de nieuwe beleidsregel volgens OCW niet leidt tot een verandering van de regels, is er binnen de sector de nodige onduidelijkheid over de invulling c.q. interpretatie. Om te voorkomen dat er grote verschillen ontstaan in interpretatie tussen de universiteiten en om gezamenlijk ook het gesprek met OCW, Inspectie en accountants te kunnen voeren, is door de UNL verzocht een aparte werkgroep te formeren, die met voorstellen komt hoe om te gaan met nieuwe regels. Daarnaast wordt met andere koepels en accountants gesproken over voortzetting van de rondetafelgesprekken. Het doel is uiteindelijk om te komen tot een uniforme werkwijze c.q. uniforme interpretatie van de beleidsregels die voor alle partijen (ook qua administratieve lasten) werkbaar is.  

Strategie24

Met de missie ‘Het creëren van positieve maatschappelijke impact’ geeft de EUR gestalte aan haar ambitie om vanuit onze verantwoordelijkheid en unieke profiel van disciplines oplossingen te formuleren voor complexe maatschappelijke vraagstukken. De lancering van Strategie24 in september 2019 markeerde de start van een nieuwe fase, die van de strategie-implementatie. In navolging van het eerste implementatiejaar in 2020, waar veel nadruk lag op het opstarten van de initiatieven en de focus op het organiseren van de programmaorganisatie, volgden in 2021 de eerste zichtbare resultaten die veelal in co-creatie en samenwerking met de EUR Community tot stand zijn gekomen.

Er zijn veel stappen gezet binnen de zes projectportfolio’s Fostering Societal Impact, Excellent Academic Research, Excellent Academic Research, Sustainable Development, Being an Erasmian en Stepping up Professional Services.

Voorbeelden van resultaten binnen het impactportfolio zijn onder meer het besluit tot oprichting van Erasmus Enterprise als aparte entiteit, met als doel om te bouwen aan een EUR-ecosysteem voor ondernemerschap. Daarnaast zorgde de oprichting en lancering van het Design Impact Transition platform ervoor dat de interdisciplinaire samenwerking voor onderzoek en onderwijs tussen faculteiten op het gebied van design, transitie en duurzaamheid een basis kan krijgen. Een belangrijke randvoorwaarde voor het accommoderen van impact aan de EUR is bovendien vervuld door het tot stand komen van de EUR-brede visie voor Erkennen en Waarderen, die na intensieve samenwerking tussen de faculteiten is geschreven.

In het kader van de doelstellingen op excellent academisch onderzoek is het Open and Responsible Science programma bovendien extra onder de aandacht gebracht. Dat gebeurde door de aanstelling van een nieuwe academic lead. Daarnaast zijn grote stappen gezet binnen de samenwerking met Erasmus MC en TU Delft en wordt interdisciplinaire samenwerking mogelijk binnen de themalijnen Resilient Delta, Health & Technology, AI, Data & Digitisation en programma’s Healthy Start en Pandemic and Disaster Preparedness Center.

Ook voor de Erasmiaanse waarden is eveneens een academic lead aangesteld, met de opdracht om vanuit leiderschapsperspectief de Erasmian Values binnen de organisatie in te bedden.

De portefeuille duurzaamheid bleef in 2021 onverminderd belangrijk voor de EUR community. Het resulteerde in extra middelen voor de top 11 meest urgente maatregelen binnen het programma duurzaamheid.

Ook was de EUR actief binnen Stepping Up Professional Services, het programma dat met twee Open Calls in 2021 veel aandacht en projectvoorstellen wist te genereren voor de doorontwikkeling van de eigen diensten.

Naast inhoudelijke voortgang lag de nadruk binnen het programma op belangrijke randvoorwaarden, zoals het ontwikkelen en stroomlijnen van communicatie en het bouwen van een stevige community. Dit resulteerde onder meer in de EUR Community Day voor alle medewerkers van strategische initiatieven. Op managementniveau werd de organisatie van de Topkaderdagen zowel live als digitaal onverminderd voortgezet en lag een stevige focus op leiderschapsontwikkeling ter realisatie van de strategie.

Ook in 2021 ondervonden de strategische initiatieven hinder van de COVID-19 pandemie. Waar in 2020 soms voorzichtig optimistisch aanvragen binnenkwamen voor het doorschuiven van budgetten, werd uiteindelijk in 2021 geconcludeerd dat de onderbesteding niet meer zou worden ingehaald. Deze onderbesteding is niet te wijten aan een specifiek project of portfolio, maar kan vooral worden verklaard door vertraging in de werving van personeelsleden en het uitblijven van kosten die begroot zijn voor evenementen en bijeenkomsten. De portefeuille duurzaamheid vormt hierop een uitzondering. Door de publicatie van de ‘Haalbaarheidsanalyse Duurzaamheid’ in het tweede kwartaal heeft het CvB voor dit portfolio een toezegging gedaan om de extra ambities op dit vlak te realiseren. Door scopeverandering binnen projecten en de groeiende ambities vanuit het CvB op enkele strategische portefeuilles, zoals duurzaamheid en Open and Responsible Science, is het de verwachting dat middelen de komende jaren volledig worden besteed.

Uitgaven strategie en strategische ruimte 2021-2024

tabel 6.9

  Budget 2021 Actuals 2021 Budget 2022 Budget 2023 Budget 2024 Budget 2025
Strategic Budget 17.096 8.785 18.704 18.177 17.871 16.801
To be reallocated -2.096   -1.704 -1.177 -871 199
Grand total 15.000 8.785 17.000 17.000 17.000 17.000

De komende jaren is bewust meer gebudgetteerd aan uitgaven voor uitvoering van strategie dan beschikbaar is op basis van het interne allocatiemodel. De ervaring uit het verleden leert namelijk dat op individuele programma’s/(sub)projecten vaak sprake is van onderbestedingen. Desondanks is intern overeengekomen om de uitgaven te beperken tot € 17 miljoen. Hier wordt door Programma Control ook op gemonitord.

Versie:
v6.1.1

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report